Quran Touch

Juz 23

Yaseen 36:28 – Az-Zumar 39:31 · 357 verzen

Aa
  1. 36:28

    ۞ وَمَآ أَنزَلْنَا عَلَىٰ قَوْمِهِۦ مِنۢ بَعْدِهِۦ مِن جُندٍ مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَمَا كُنَّا مُنزِلِينَ

    Wama anzalna AAala qawmihi min baAAdihi min jundin mina alssamai wama kunna munzileena

    En Wij hebben na hem geen leger (van engelen) uit de hemel tot zijn volk gezonden, en Wij zonden hen niet.

  2. 36:29

    إِن كَانَتْ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً فَإِذَا هُمْ خَٰمِدُونَ

    In kanat illa sayhatan wahidatan faitha hum khamidoona

    Het was slechts één bliksemslag en toen waren zij dood.

  3. 36:30

    يَٰحَسْرَةً عَلَى ٱلْعِبَادِ ۚ مَا يَأْتِيهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ

    Ya hasratan AAala alAAibadi ma yateehim min rasoolin illa kanoo bihi yastahzioona

    Wat jammer voor de dienaren, er komt geen Boodschapper tot hen, of zij drijven de spot met hem.

  4. 36:31

    أَلَمْ يَرَوْا۟ كَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُم مِّنَ ٱلْقُرُونِ أَنَّهُمْ إِلَيْهِمْ لَا يَرْجِعُونَ

    Alam yaraw kam ahlakna qablahum mina alqurooni annahum ilayhim la yarjiAAoona

    Weten zij dan niet hoeveel generaties vóór hen Wij vernietigd hebben? Zij zullen niet tot hun (wereldse levens) terugkeren.

  5. 36:32

    وَإِن كُلٌّ لَّمَّا جَمِيعٌ لَّدَيْنَا مُحْضَرُونَ

    Wain kullun lamma jameeAAun ladayna muhdaroona

    En zij zullen allen bijelkaar bij Ons voorgeleiden zijn.

  6. 36:33

    وَءَايَةٌ لَّهُمُ ٱلْأَرْضُ ٱلْمَيْتَةُ أَحْيَيْنَٰهَا وَأَخْرَجْنَا مِنْهَا حَبًّا فَمِنْهُ يَأْكُلُونَ

    Waayatun lahumu alardu almaytatu ahyaynaha waakhrajna minha habban faminhu yakuloona

    En een teken voor hen is de dode aarde die Wij tot leven doen komen en waaruit Wij graan voortbrengen waarvan zij eten.

  7. 36:34

    وَجَعَلْنَا فِيهَا جَنَّٰتٍ مِّن نَّخِيلٍ وَأَعْنَٰبٍ وَفَجَّرْنَا فِيهَا مِنَ ٱلْعُيُونِ

    WajaAAalna feeha jannatin min nakheelin waaAAnabin wafajjarna feeha mina alAAuyooni

    En Wij hebben daarin tuinen met dadelpalmen en druivenstruiken gemaakt en Wij hebben daarin bronnen doen ontspringen.

  8. 36:35

    لِيَأْكُلُوا۟ مِن ثَمَرِهِۦ وَمَا عَمِلَتْهُ أَيْدِيهِمْ ۖ أَفَلَا يَشْكُرُونَ

    Liyakuloo min thamarihi wama AAamilathu aydeehim afala yashkuroona

    Opdat zij van haar vruchten eten en van wat hun handen hebben verricht. Zijn zij dan niet dankbaar?

  9. 36:36

    سُبْحَٰنَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلْأَزْوَٰجَ كُلَّهَا مِمَّا تُنۢبِتُ ٱلْأَرْضُ وَمِنْ أَنفُسِهِمْ وَمِمَّا لَا يَعْلَمُونَ

    Subhana allathee khalaqa alazwaja kullaha mimma tunbitu alardu wamin anfusihim wamimma la yaAAlamoona

    Heilig is Degene Die al de soorten heeft geschapen die de aarde voortbrengt en uit henzelf en van wat zij niet weten.

  10. 36:37

    وَءَايَةٌ لَّهُمُ ٱلَّيْلُ نَسْلَخُ مِنْهُ ٱلنَّهَارَ فَإِذَا هُم مُّظْلِمُونَ

    Waayatun lahumu allaylu naslakhu minhu alnnahara faitha hum muthlimoona

    En een Teken voor hen is de nacht waarvan Wij de dag onttrekken, dan bevinden zij zich in de duisternis.

  11. 36:38

    وَٱلشَّمْسُ تَجْرِى لِمُسْتَقَرٍّ لَّهَا ۚ ذَٰلِكَ تَقْدِيرُ ٱلْعَزِيزِ ٱلْعَلِيمِ

    Waalshshamsu tajree limustaqarrin laha thalika taqdeeru alAAazeezi alAAaleemi

    En de zon loopt in haar vaste baan. Dat is de verordening van de Almachtige, de Alwijze.

  12. 36:39

    وَٱلْقَمَرَ قَدَّرْنَٰهُ مَنَازِلَ حَتَّىٰ عَادَ كَٱلْعُرْجُونِ ٱلْقَدِيمِ

    Waalqamara qaddarnahu manazila hatta AAada kaalAAurjooni alqadeemi

    En Wij hebben voor de maan standen bepaald, zodat zij terugkeert als een oud sikkeltje van een dadeltros.

  13. 36:40

    لَا ٱلشَّمْسُ يَنۢبَغِى لَهَآ أَن تُدْرِكَ ٱلْقَمَرَ وَلَا ٱلَّيْلُ سَابِقُ ٱلنَّهَارِ ۚ وَكُلٌّ فِى فَلَكٍ يَسْبَحُونَ

    La alshshamsu yanbaghee laha an tudrika alqamara wala allaylu sabiqu alnnahari wakullun fee falakin yasbahoona

    Het is niet mogelijk dat de zon de maan bereikt en de nacht kan de dag niet inhalen. Allen bewegen in een kringloop.

  14. 36:41

    وَءَايَةٌ لَّهُمْ أَنَّا حَمَلْنَا ذُرِّيَّتَهُمْ فِى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ

    Waayatun lahum anna hamalna thurriyyatahum fee alfulki almashhooni

    En het is een Teken voor hen dat Wij hun nakomelingen dragen in een volgeladen schip.

  15. 36:42

    وَخَلَقْنَا لَهُم مِّن مِّثْلِهِۦ مَا يَرْكَبُونَ

    Wakhalaqna lahum min mithlihi ma yarkaboona

    En Wij hebben voor hen iets dat daarop lijkt geschapen, waarop zij rijden.

  16. 36:43

    وَإِن نَّشَأْ نُغْرِقْهُمْ فَلَا صَرِيخَ لَهُمْ وَلَا هُمْ يُنقَذُونَ

    Wain nasha nughriqhum fala sareekha lahum wala hum yunqathoona

    En als Wij willen, dan doen Wij hen verdrinken en dan zal er geen helper voor hen zijn, en zij zullen niet worden gered.

  17. 36:44

    إِلَّا رَحْمَةً مِّنَّا وَمَتَٰعًا إِلَىٰ حِينٍ

    Illa rahmatan minna wamataAAan ila heenin

    Behalve als een genade van Ons, en als een gunst voor een vastgestelde tijd.

  18. 36:45

    وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱتَّقُوا۟ مَا بَيْنَ أَيْدِيكُمْ وَمَا خَلْفَكُمْ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ

    Waitha qeela lahumu ittaqoo ma bayna aydeekum wama khalfakum laAAallakum turhamoona

    En wanneer tot hen wordt gezegd: "Vreest wat vóór jullie en wat achter jullie is, hopelijk zullen jullie begenadigd worden, (toen keerden zij zich af.)"

  19. 36:46

    وَمَا تَأْتِيهِم مِّنْ ءَايَةٍ مِّنْ ءَايَٰتِ رَبِّهِمْ إِلَّا كَانُوا۟ عَنْهَا مُعْرِضِينَ

    Wama tateehim min ayatin min ayati rabbihim illa kanoo AAanha muAArideena

    En er komt geen Teken tot hen, van de Tekenen van hun Heer, of zij wenden zich er van af.

  20. 36:47

    وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ أَنفِقُوا۟ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُ قَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لِلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَنُطْعِمُ مَن لَّوْ يَشَآءُ ٱللَّهُ أَطْعَمَهُۥٓ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا فِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ

    Waitha qeela lahum anfiqoo mimma razaqakumu Allahu qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo anutAAimu man law yashao Allahu atAAamahu in antum illa fee dalalin mubeenin

    En wanneer tot hen wordt gezegd: "Geeft uit van waar Allah jullie mee voorzien heeft," dan zeggen degenen die ongelovig zijn tot degenen die gelovig zijn: "Zouden wij degenen voeden die Hij had kunnen voeden, als Allah het gewild had? Jullie verkeren slechts in duidelijke dwaling."

  21. 36:48

    وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

    Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

    En zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte vervuld worden, als jullie waarachtigen zijn?"

  22. 36:49

    مَا يَنظُرُونَ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً تَأْخُذُهُمْ وَهُمْ يَخِصِّمُونَ

    Ma yanthuroona illa sayhatan wahidatan takhuthuhum wahum yakhissimoona

    Zij wachten op niets anders dan één enkele bliksemslag die hen grijpt terwijl zij redetwisten.

  23. 36:50

    فَلَا يَسْتَطِيعُونَ تَوْصِيَةً وَلَآ إِلَىٰٓ أَهْلِهِمْ يَرْجِعُونَ

    Fala yastateeAAoona tawsiyatan wala ila ahlihim yarjiAAoona

    Dan kunnen zij (elkaar) niet raadplegen en zij kunnen niet tot hun familie terugkeren.

  24. 36:51

    وَنُفِخَ فِى ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلْأَجْدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمْ يَنسِلُونَ

    Wanufikha fee alssoori faitha hum mina alajdathi ila rabbihim yansiloona

    En er wordt op de bazuin geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer.

  25. 36:52

    قَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَا مَنۢ بَعَثَنَا مِن مَّرْقَدِنَا ۜ ۗ هَٰذَا مَا وَعَدَ ٱلرَّحْمَٰنُ وَصَدَقَ ٱلْمُرْسَلُونَ

    Qaloo ya waylana man baAAathana min marqadina hatha ma waAAada alrrahmanu wasadaqa almursaloona

    Zij zeggen: "Wee ons! Wie heeft ons van onze rustplaatsen doen opstaan? Dat is wat de Barmhartige heeft aangezegd, en de Gezondenen hebben de waarheid gesproken."

  26. 36:53

    إِن كَانَتْ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً فَإِذَا هُمْ جَمِيعٌ لَّدَيْنَا مُحْضَرُونَ

    In kanat illa sayhatan wahidatan faitha hum jameeAAun ladayna muhdaroona

    Het zal slechts één enkele bliksemslag zijn en dan zullen zij allen bij Ons voorgeleid worden.

  27. 36:54

    فَٱلْيَوْمَ لَا تُظْلَمُ نَفْسٌ شَيْـًٔا وَلَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

    Faalyawma la tuthlamu nafsun shayan wala tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

    Dan zal op deze Dag niemand onrecht aangedaan worden en jullie zullen slechts worden beloond voor wat jullie plachten te doen.

  28. 36:55

    إِنَّ أَصْحَٰبَ ٱلْجَنَّةِ ٱلْيَوْمَ فِى شُغُلٍ فَٰكِهُونَ

    Inna ashaba aljannati alyawma fee shughulin fakihoona

    Voorwaar, de bewoners van het Paradijs zullen op deze Dag bezig zijn te genieten.

  29. 36:56

    هُمْ وَأَزْوَٰجُهُمْ فِى ظِلَٰلٍ عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ مُتَّكِـُٔونَ

    Hum waazwajuhum fee thilalin AAala alaraiki muttakioona

    Zij en hun echtgenotes zullen zich in schaduwen bevinden, op rustbanken leunend.

  30. 36:57

    لَهُمْ فِيهَا فَٰكِهَةٌ وَلَهُم مَّا يَدَّعُونَ

    Lahum feeha fakihatun walahum ma yaddaAAoona

    Voor hen zijn er vruchten en voor hen is er wat zij verlangen.

  31. 36:58

    سَلَٰمٌ قَوْلًا مِّن رَّبٍّ رَّحِيمٍ

    Salamun qawlan min rabbin raheemin

    "Salâm!" Een Woord van een Meest Barmhartige Heer.

  32. 36:59

    وَٱمْتَٰزُوا۟ ٱلْيَوْمَ أَيُّهَا ٱلْمُجْرِمُونَ

    Waimtazoo alyawma ayyuha almujrimoona

    Gaat op deze Dag (van de gelovigen) weg, O jullie misdadigers!

  33. 36:60

    ۞ أَلَمْ أَعْهَدْ إِلَيْكُمْ يَٰبَنِىٓ ءَادَمَ أَن لَّا تَعْبُدُوا۟ ٱلشَّيْطَٰنَ ۖ إِنَّهُۥ لَكُمْ عَدُوٌّ مُّبِينٌ

    Alam aAAhad ilaykum ya banee adama an la taAAbudoo alshshaytana innahu lakum AAaduwwun mubeenun

    Heb ik jullie, O kinderen van Adam, niet opgedragen om de Satan niet te dienen? Voorwaar, hij is voor jullie een duidelijke vijand.

  34. 36:61

    وَأَنِ ٱعْبُدُونِى ۚ هَٰذَا صِرَٰطٌ مُّسْتَقِيمٌ

    Waani oAAbudoonee hatha siratun mustaqeemun

    En aanbidt Mij: dat is het rechte Pad.

  35. 36:62

    وَلَقَدْ أَضَلَّ مِنكُمْ جِبِلًّا كَثِيرًا ۖ أَفَلَمْ تَكُونُوا۟ تَعْقِلُونَ

    Walaqad adalla minkum jibillan katheeran afalam takoonoo taAAqiloona

    En voorzeker, hij heeft vele schepselen onder jullie doen dwalen. Gebruikten jullie je verstand dan niet?

  36. 36:63

    هَٰذِهِۦ جَهَنَّمُ ٱلَّتِى كُنتُمْ تُوعَدُونَ

    Hathihi jahannamu allatee kuntum tooAAadoona

    Dit is de Hel waarvoor jullie gewaarschuwd plachen te worden.

  37. 36:64

    ٱصْلَوْهَا ٱلْيَوْمَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَ

    Islawha alyawma bima kuntum takfuroona

    Gaat haar op deze Dag binnen wegens wat jullie plachten niet te geloven.

  38. 36:65

    ٱلْيَوْمَ نَخْتِمُ عَلَىٰٓ أَفْوَٰهِهِمْ وَتُكَلِّمُنَآ أَيْدِيهِمْ وَتَشْهَدُ أَرْجُلُهُم بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

    Alyawma nakhtimu AAala afwahihim watukallimuna aydeehim watashhadu arjuluhum bima kanoo yaksiboona

    Op die Dag plaatsen Wij een zegel op hun monden, en hun handen zullen tot Ons spreken en hun voeten zullen getuigen over wat zij plachten te verrichten.

  39. 36:66

    وَلَوْ نَشَآءُ لَطَمَسْنَا عَلَىٰٓ أَعْيُنِهِمْ فَٱسْتَبَقُوا۟ ٱلصِّرَٰطَ فَأَنَّىٰ يُبْصِرُونَ

    Walaw nashao latamasna AAala aAAyunihim faistabaqoo alssirata faanna yubsiroona

    En als Wij gewild hadden, dan hadden Wij zeker het gezichtvermogen uitgewist van hun ogen, waarna zij een wedloop naar het Pad zouden houden, maar hoe zouden zij (dat) kunnen zien?

  40. 36:67

    وَلَوْ نَشَآءُ لَمَسَخْنَٰهُمْ عَلَىٰ مَكَانَتِهِمْ فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مُضِيًّا وَلَا يَرْجِعُونَ

    Walaw nashao lamasakhnahum AAala makanatihim fama istataAAoo mudiyyan wala yarjiAAoona

    En als Wij gewild hadden, dan hadden Wij hun gestalten veranderd op hun plaatsen (van zondigheid), waarna zij niet weg zouden kunnen gaan en niet terug zouden gaan.

  41. 36:68

    وَمَن نُّعَمِّرْهُ نُنَكِّسْهُ فِى ٱلْخَلْقِ ۖ أَفَلَا يَعْقِلُونَ

    Waman nuAAammirhu nunakkishu fee alkhalqi afala yaAAqiloona

    En voor wie Wij de leeftijd verlengen doen Wij zijn lichaam verzwakken. Denken zij dan niet na?

  42. 36:69

    وَمَا عَلَّمْنَٰهُ ٱلشِّعْرَ وَمَا يَنۢبَغِى لَهُۥٓ ۚ إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرٌ وَقُرْءَانٌ مُّبِينٌ

    Wama AAallamnahu alshshiAAra wama yanbaghee lahu in huwa illa thikrun waquranun mubeenun

    En Wij hebben hem (Mohammed) het dichten niet onderwezen en het past hem niet. Het is niets dan een Vermaning en een duidelijke Koran.

  43. 36:70

    لِّيُنذِرَ مَن كَانَ حَيًّا وَيَحِقَّ ٱلْقَوْلُ عَلَى ٱلْكَٰفِرِينَ

    Liyunthira man kana hayyan wayahiqqa alqawlu AAala alkafireena

    Opdat hij de levenden zal waarschuwen en opdat het Woord (van bestraffing) voor de ongelovigen bewaarheid wordt.

  44. 36:71

    أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّا خَلَقْنَا لَهُم مِّمَّا عَمِلَتْ أَيْدِينَآ أَنْعَٰمًا فَهُمْ لَهَا مَٰلِكُونَ

    Awalam yaraw anna khalaqna lahum mimma AAamilat aydeena anAAaman fahum laha malikoona

    Zien zij dan niet dat onder wat Onze Handen voor hen geschapen hebben het vee is, zodat zij daarvan bezitter zijn?

  45. 36:72

    وَذَلَّلْنَٰهَا لَهُمْ فَمِنْهَا رَكُوبُهُمْ وَمِنْهَا يَأْكُلُونَ

    Wathallalnaha lahum faminha rakoobuhum waminha yakuloona

    En Wij hebben het (vee) voor hen onderworpen, sommige berijden zij ervan en sommige eten zij.

  46. 36:73

    وَلَهُمْ فِيهَا مَنَٰفِعُ وَمَشَارِبُ ۖ أَفَلَا يَشْكُرُونَ

    Walahum feeha manafiAAu wamasharibu afala yashkuroona

    En voor hen is er nut in en een (bron van) driken. Zijn zij dan niet dankbaar?

  47. 36:74

    وَٱتَّخَذُوا۟ مِن دُونِ ٱللَّهِ ءَالِهَةً لَّعَلَّهُمْ يُنصَرُونَ

    Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan laAAallahum yunsaroona

    En zij nemen naast Allah goden in de hoop dat zij geholpen zullen worden.

  48. 36:75

    لَا يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَهُمْ وَهُمْ لَهُمْ جُندٌ مُّحْضَرُونَ

    La yastateeAAoona nasrahum wahum lahum jundun muhdaroona

    Zij zijn niet in staat om hen te helpen, en zij (de veelgodenaanbidders) zijn voor hen een leger dat wordt voorgeleid.

  49. 36:76

    فَلَا يَحْزُنكَ قَوْلُهُمْ ۘ إِنَّا نَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعْلِنُونَ

    Fala yahzunka qawluhum inna naAAlamu ma yusirroona wama yuAAlinoona

    Laten hun woorden jou daarom niet treurig maken: Voorwaar, Wij weten wat zij verbergen en wat zij openlijk doen.

  50. 36:77

    أَوَلَمْ يَرَ ٱلْإِنسَٰنُ أَنَّا خَلَقْنَٰهُ مِن نُّطْفَةٍ فَإِذَا هُوَ خَصِيمٌ مُّبِينٌ

    Awalam yara alinsanu anna khalaqnahu min nutfatin faitha huwa khaseemun mubeenun

    Ziet de mens niet dat Wij hem uit een druppel hebben geschapen? Toch is hij duidelijk een redetwister.

  51. 36:78

    وَضَرَبَ لَنَا مَثَلًا وَنَسِىَ خَلْقَهُۥ ۖ قَالَ مَن يُحْىِ ٱلْعِظَٰمَ وَهِىَ رَمِيمٌ

    Wadaraba lana mathalan wanasiya khalqahu qala man yuhyee alAAithama wahiya rameemun

    En hij geeft Ons een voorbeeld, terwijl hij vergeet hoe hij zelf geschapen is. Hij zei: "Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn?"

  52. 36:79

    قُلْ يُحْيِيهَا ٱلَّذِىٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٍ ۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلْقٍ عَلِيمٌ

    Qul yuhyeeha allathee anshaaha awwala marratin wahuwa bikulli khalqin AAaleemun

    Zeg: "Hij Die ze de eerste keer heeft doen ontstaan, Die zal ze doen leven. En Hij is de Kenner van de gehele schepping.

  53. 36:80

    ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلشَّجَرِ ٱلْأَخْضَرِ نَارًا فَإِذَآ أَنتُم مِّنْهُ تُوقِدُونَ

    Allathee jaAAala lakum mina alshshajari alakhdari naran faitha antum minhu tooqidoona

    (Hij is) Degene Die voor jullie van de groene boom vuur heeft gemaakt. Waarna jullie er een vuur mee ontsteken."

  54. 36:81

    أَوَلَيْسَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يَخْلُقَ مِثْلَهُم ۚ بَلَىٰ وَهُوَ ٱلْخَلَّٰقُ ٱلْعَلِيمُ

    Awalaysa allathee khalaqa alssamawati waalarda biqadirin AAala an yakhluqa mithlahum bala wahuwa alkhallaqu alAAaleemu

    Is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen niet bij machte om het gelijke ervan te scheppen? Zeker wel! En Hij is de Schepper, de Alwetende.

  55. 36:82

    إِنَّمَآ أَمْرُهُۥٓ إِذَآ أَرَادَ شَيْـًٔا أَن يَقُولَ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ

    Innama amruhu itha arada shayan an yaqoola lahu kun fayakoonu

    Voorwaar, wanneer Hij iets wil (scheppen), dan zegt hij er slechts tegen: "Wees," en het is.

  56. 36:83

    فَسُبْحَٰنَ ٱلَّذِى بِيَدِهِۦ مَلَكُوتُ كُلِّ شَىْءٍ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ

    Fasubhana allathee biyadihi malakootu kulli shayin wailayhi turjaAAoona

    Heilig is Degene in Wiens Hand de heerschappij over alle zaken is en tot Hem worden jullie teruggekeerd.

  57. Soera As-Saaffaat سُورَةُ الصافات
  58. 37:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلصَّٰٓفَّٰتِ صَفًّا

    Waalssaffati saffan

    Bij hen die in rijen staan (de Engelen).

  59. 37:2

    فَٱلزَّٰجِرَٰتِ زَجْرًا

    Faalzzajirati zajran

    Die de wolken voortdrijven.

  60. 37:3

    فَٱلتَّٰلِيَٰتِ ذِكْرًا

    Faalttaliyati thikran

    Die de Vermaning (de Koran) voordragen.

  61. 37:4

    إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَٰحِدٌ

    Inna ilahakum lawahidun

    Voorwaar, jullie God is zeker Eén.

  62. 37:5

    رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ ٱلْمَشَٰرِقِ

    Rabbu alssamawati waalardi wama baynahuma warabbu almashariqi

    De Heer van de hemelen en de aarde en wat er tussen is en de Heer van de plaatsen van zonsopgang.

  63. 37:6

    إِنَّا زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنْيَا بِزِينَةٍ ٱلْكَوَاكِبِ

    Inna zayyanna alssamaa alddunya bizeenatin alkawakibi

    Voorwaar, Wij hebben de nabije hemel gesierd met een veniering: de sterren.

  64. 37:7

    وَحِفْظًا مِّن كُلِّ شَيْطَٰنٍ مَّارِدٍ

    Wahifthan min kulli shaytanin maridin

    En als bescherming tegen alle opstandige Satans.

  65. 37:8

    لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى ٱلْمَلَإِ ٱلْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٍ

    La yassammaAAoona ila almalai alaAAla wayuqthafoona min kulli janibin

    Zij kunnen niet luisteren bij de hoogste groep (de Engelen). Er wordt naar hen geworpen vanuit alle kanten.

  66. 37:9

    دُحُورًا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ

    Duhooran walahum AAathabun wasibun

    Ter verjaging. En voor hen is er een ononderbroken bestraffing.

  67. 37:10

    إِلَّا مَنْ خَطِفَ ٱلْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُۥ شِهَابٌ ثَاقِبٌ

    Illa man khatifa alkhatfata faatbaAAahu shihabun thaqibun

    Behalve wie afluisterend luistert: een gloeiende vlam achtervolgt hem.

  68. 37:11

    فَٱسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَم مَّنْ خَلَقْنَآ ۚ إِنَّا خَلَقْنَٰهُم مِّن طِينٍ لَّازِبٍۭ

    Faistaftihim ahum ashaddu khalqan am man khalaqna inna khalaqnahum min teenin lazibin

    Vraag hen: "Zijn zij (de mensen) moeilijker om te scheppen of dat (hemel en aarde en wat er tussen is) wat wij hebben geschapen?" Voorwaar, Wij hebben hen van kleverige klei geschapen.

  69. 37:12

    بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ

    Bal AAajibta wayaskharoona

    Jij verbaastje zelfs omdat zij (de door jou gebracht boodschap) bespotten.

  70. 37:13

    وَإِذَا ذُكِّرُوا۟ لَا يَذْكُرُونَ

    Waitha thukkiroo la yathkuroona

    En wanneer zij vermaand worden, dan nemen zij de Vemaning niet tot zich.

  71. 37:14

    وَإِذَا رَأَوْا۟ ءَايَةً يَسْتَسْخِرُونَ

    Waitha raaw ayatan yastaskhiroona

    En wanneer zij een Teken (een goddelijk wonder) zien, dan bespotten zij.

  72. 37:15

    وَقَالُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ

    Waqaloo in hatha illa sihrun mubeenun

    En zij zeggen: "Dit is niets dan duidelijke tovenarij."

  73. 37:16

    أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ

    Aitha mitna wakunna turaban waAAithaman ainna lamabAAoothoona

    Als wij al dood zijn en tot aarde en beenderen zijn geworden; zullen wij dan zeker opgewekt worden?

  74. 37:17

    أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ

    Awaabaona alawwaloona

    En ook onze voorvaderen?"

  75. 37:18

    قُلْ نَعَمْ وَأَنتُمْ دَٰخِرُونَ

    Qul naAAam waantum dakhiroona

    Zeg: "Ja, en jullie zullen vemederd zijn."

  76. 37:19

    فَإِنَّمَا هِىَ زَجْرَةٌ وَٰحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ

    Fainnama hiya zajratun wahidatun faitha hum yanthuroona

    Het is dan slechts één bliksemslag, waarna zij om zich heen kijken.

  77. 37:20

    وَقَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ ٱلدِّينِ

    Waqaloo ya waylana hatha yawmu alddeeni

    En zij zullen zeggen: "Wee ons, dit is de Dag des Oordeels."

  78. 37:21

    هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ

    Hatha yawmu alfasli allathee kuntum bihi tukaththiboona

    Dit is de Dag van de beslissing, die jullie plachten te loochenen.

  79. 37:22

    ۞ ٱحْشُرُوا۟ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ وَأَزْوَٰجَهُمْ وَمَا كَانُوا۟ يَعْبُدُونَ

    Ohshuroo allatheena thalamoo waazwajahum wama kanoo yaAAbudoona

    (Tot de Engelen wordt gezegd:) "Verzamelt degenen die onrecht pleegden en hun gelijken en wat zij plachten te aanbidden.

  80. 37:23

    مِن دُونِ ٱللَّهِ فَٱهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلْجَحِيمِ

    Min dooni Allahi faihdoohum ila sirati aljaheemi

    Naast Allah. Leidt ben dan naar de weg naar Djahîm (de Hel).

  81. 37:24

    وَقِفُوهُمْ ۖ إِنَّهُم مَّسْـُٔولُونَ

    Waqifoohum innahum masooloona

    En houdt hen vast: voorwaar, zij zullen ondervraagd worden."

  82. 37:25

    مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ

    Ma lakum la tanasaroona

    (Er zal aan hen gevraagd worden:) "Wat is er met jullie, waarom helpen jullie elkaar niet?"

  83. 37:26

    بَلْ هُمُ ٱلْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ

    Bal humu alyawma mustaslimoona

    Op die Dag zullen zij zich zelfs overgeven.

  84. 37:27

    وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ

    Waaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

    En zij zullen zich tot elkaar wenden en elkaar ondervragen.

  85. 37:28

    قَالُوٓا۟ إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ ٱلْيَمِينِ

    Qaloo innakum kuntum tatoonana AAani alyameeni

    Zij (de volgelingen) zullen zeggen: "Voorwaar, jullie zijn van de rechterkant tot ons gekomen."

  86. 37:29

    قَالُوا۟ بَل لَّمْ تَكُونُوا۟ مُؤْمِنِينَ

    Qaloo bal lam takoonoo mumineena

    Zij (de leiders) zullen antwoorden: "Jullie was waren zelfs geen gelovigen.

  87. 37:30

    وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَٰنٍۭ ۖ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَٰغِينَ

    Wama kana lana AAalaykum min sultanin bal kuntum qawman tagheena

    Ea wij hadden geen macht over jullie. Jullie waren zelfs een overtredend volk.

  88. 37:31

    فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَآ ۖ إِنَّا لَذَآئِقُونَ

    Fahaqqa AAalayna qawlu rabbina inna lathaiqoona

    Het Woord (van bestraffing) tot ons van Onze Heer zal daarom bewaarheid worden. Voorwaar, wij zullen het zeker proeven.

  89. 37:32

    فَأَغْوَيْنَٰكُمْ إِنَّا كُنَّا غَٰوِينَ

    Faaghwaynakum inna kunna ghaweena

    Wij misleidden jullie toen: voorwaar, wij waren misleiders."

  90. 37:33

    فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِى ٱلْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ

    Fainnahum yawmaithin fee alAAathabi mushtarikoona

    Voorwaar, zij zullen dan op die Dag in de bestraffing bijelkaar zijn.

  91. 37:34

    إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ

    Inna kathalika nafAAalu bialmujrimeena

    Voorwaar, zo behandelen Wij de misdadigers.

  92. 37:35

    إِنَّهُمْ كَانُوٓا۟ إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ

    Innahum kanoo itha qeela lahum la ilaha illa Allahu yastakbiroona

    Voorwaar, toen er tot hen gezegd werd: "Er is geen god dan Allah," toen waren zij hoogmoedig.

  93. 37:36

    وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوٓا۟ ءَالِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍۭ

    Wayaqooloona ainna latarikoo alihatina lishaAAirin majnoonin

    En zij zeggen: "Zullen wij dan onze goden achterlaten vanwege een bezeten dichter?"

  94. 37:37

    بَلْ جَآءَ بِٱلْحَقِّ وَصَدَّقَ ٱلْمُرْسَلِينَ

    Bal jaa bialhaqqi wasaddaqa almursaleena

    Nee! Hij (Moehammad) is met de Waarheid gekomen en hij heeft de Gezondenen (de Profeten vóór hem) bevestigd.

  95. 37:38

    إِنَّكُمْ لَذَآئِقُوا۟ ٱلْعَذَابِ ٱلْأَلِيمِ

    Innakum lathaiqoo alAAathabi alaleemi

    Voorwaar, jullie proeven zeker de pijnlijke bestraffing.

  96. 37:39

    وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

    Wama tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

    En jullie worden slechts vergolden voor wat jullie hebben gedaan.

  97. 37:40

    إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

    Illa AAibada Allahi almukhlaseena

    Behalve de dienaren van Allah die zuiver in hun aanbidding zijn.

  98. 37:41

    أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَّعْلُومٌ

    Olaika lahum rizqun maAAloomun

    Zij zijn degenen voor wie er een bekende voorziening is (het Paradijs).

  99. 37:42

    فَوَٰكِهُ ۖ وَهُم مُّكْرَمُونَ

    Fawakihu wahum mukramoona

    Vruchten. En zij zijn de geëerden.

  100. 37:43

    فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ

    Fee jannati alnnaAAeemi

    In Tuinen van Gelukzaligheid (het Paradijs).

  101. 37:44

    عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَٰبِلِينَ

    AAala sururin mutaqabileena

    Op rustbanken tegenover elkaar.

  102. 37:45

    يُطَافُ عَلَيْهِم بِكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍۭ

    Yutafu AAalayhim bikasin min maAAeenin

    Onder hen wordt rondgegaan met een beker met Ma'in (van de bron van het Paradij).

  103. 37:46

    بَيْضَآءَ لَذَّةٍ لِّلشَّٰرِبِينَ

    Baydaa laththatin lilshsharibeena

    Helder wit, smakelijk voor de drinkers.

  104. 37:47

    لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ

    La feeha ghawlun wala hum AAanha yunzafoona

    Deze (drank) kent geen beneveling en zij worden er niet dronken van.

  105. 37:48

    وَعِندَهُمْ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ عِينٌ

    WaAAindahum qasiratu alttarfi AAeenun

    En bij hen zijn schonen met ingetogen blikken, met mooie ogen.

  106. 37:49

    كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَّكْنُونٌ

    Kaannahunna baydun maknoonun

    Als waren zij welbewaarde eieren.

  107. 37:50

    فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ

    Faaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

    Zij wenden zich dan tot elkaar en stellen elkaar vragen.

  108. 37:51

    قَالَ قَآئِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّى كَانَ لِى قَرِينٌ

    Qala qailun minhum innee kana lee qareenun

    Een spreker onder hen zal zeggen: "Voorwaar, ik had een vriend.

  109. 37:52

    يَقُولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ ٱلْمُصَدِّقِينَ

    Yaqoolu ainnaka lamina almusaddiqeena

    Hij zei (vroeger tegen mij): "Voorwaar, behoor jij tot hen die (de Opstanding) bevestigen?

  110. 37:53

    أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَدِينُونَ

    Aitha mitna wakunna turaban waAAithaman ainna lamadeenoona

    Als wij dan al dood zijn, en tot aarde en beenderen zijn geworden, zullen wij dan zeker worden beoordeld?"'

  111. 37:54

    قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ

    Qala hal antum muttaliAAoona

    Hij zei (tegen de anderen in hct Paradijs): "Hebben jullie (dit) gezien?"

  112. 37:55

    فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِى سَوَآءِ ٱلْجَحِيمِ

    FaittalaAAa faraahu fee sawai aljaheemi

    Toen keek hij en zag hem in het midden van Djahîm (de Hel).

  113. 37:56

    قَالَ تَٱللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ

    Qala taAllahi in kidta laturdeeni

    Hij zei: "Bij Allah, jij hebt mij bijna in het ongeluk gestort.

  114. 37:57

    وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّى لَكُنتُ مِنَ ٱلْمُحْضَرِينَ

    Walawla niAAmatu rabbee lakuntu mina almuhdareena

    En als er niet de genade van mijn Heer geweest was, dan zou ik zeker tot de voorgeleiden (voor de Hel) behoren.

  115. 37:58

    أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ

    Afama nahnu bimayyiteena

    Zullen wij dan niet sterven?

  116. 37:59

    إِلَّا مَوْتَتَنَا ٱلْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ

    Illa mawtatana aloola wama nahnu bimuAAaththabeena

    Naut ons eerste sterven? En zullen wij niet worden bestraft?"

  117. 37:60

    إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

    Inna hatha lahuwa alfawzu alAAatheemu

    Voorwaar, dat is zeker de geweldige overwinning.

  118. 37:61

    لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ ٱلْعَٰمِلُونَ

    Limithli hatha falyaAAmali alAAamiloona

    Voor zoiets, laten de werkenden daarvoor werken.

  119. 37:62

    أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ ٱلزَّقُّومِ

    Athalika khayrun nuzulan am shajaratu alzzaqqoomi

    Is die ontvangst beter, of de Zaqqôem-boom (in de Hel)?

  120. 37:63

    إِنَّا جَعَلْنَٰهَا فِتْنَةً لِّلظَّٰلِمِينَ

    Inna jaAAalnaha fitnatan lilththalimeena

    Voorwaar, Wij hebben hem tot een beproeving voor de onrechtvaardigen gemaakt.

  121. 37:64

    إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِىٓ أَصْلِ ٱلْجَحِيمِ

    Innaha shajaratun takhruju fee asli aljaheemi

    Voorwaar, het is een boom die voortkomt uit de bodem van Djahîm (de Hel).

  122. 37:65

    طَلْعُهَا كَأَنَّهُۥ رُءُوسُ ٱلشَّيَٰطِينِ

    TalAAuha kaannahu ruoosu alshshayateeni

    De kolven ervan zijn als satanskoppen.

  123. 37:66

    فَإِنَّهُمْ لَـَٔاكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ

    Fainnahum laakiloona minha famalioona minha albutoona

    Voorwaar, dan zullen zij er van eten zodat zij er de buiken mee vullen.

  124. 37:67

    ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِّنْ حَمِيمٍ

    Thumma inna lahum AAalayha lashawban min hameemin

    Daarna is er voor hen een drank, gemengd met kokend water.

  125. 37:68

    ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى ٱلْجَحِيمِ

    Thumma inna marjiAAahum laila aljaheemi

    Tenslotte is hun terugkeer zeker naar Djahîm.

  126. 37:69

    إِنَّهُمْ أَلْفَوْا۟ ءَابَآءَهُمْ ضَآلِّينَ

    Innahum alfaw abaahum dalleena

    Voorwaar, zij troffen hun vaderen in dwaling verkerend aan.

  127. 37:70

    فَهُمْ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمْ يُهْرَعُونَ

    Fahum AAala atharihim yuhraAAoona

    Toen volgden zij hen haastig in hun voetsporen.

  128. 37:71

    وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ ٱلْأَوَّلِينَ

    Walaqad dalla qablahum aktharu alawwaleena

    En voorzeker dwaalden vóór hen de meesten van de vroegeren.

  129. 37:72

    وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ

    Walaqad arsalna feehim munthireena

    En voorzeker hebben Wij uit hun midden waarschuwers gezonden,

  130. 37:73

    فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُنذَرِينَ

    Faonthur kayfa kana AAaqibatu almunthareena

    Zie dan (O Moehammad) hoe het einde was van de gewaamshuwden.

  131. 37:74

    إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

    Illa AAibada Allahi almukhlaseena

    Behalve (het einde van) de dienaren van Allah die, zuiver in hun aanbidding zijn.

  132. 37:75

    وَلَقَدْ نَادَىٰنَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ ٱلْمُجِيبُونَ

    Walaqad nadana noohun falaniAAma almujeeboona

    En voorzeker, Nôeh riep Ons aan, en Wij zijn zeker de beste verhorenden.

  133. 37:76

    وَنَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥ مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ

    Wanajjaynahu waahlahu mina alkarbi alAAatheemi

    En Wij redden hem en zijn volgelingen van de geweldige ramp.

  134. 37:77

    وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُۥ هُمُ ٱلْبَاقِينَ

    WajaAAalna thurriyyatahu humu albaqeena

    En Wij maakte zijn nakomelingen tot voortlevenden.

  135. 37:78

    وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

    Watarakna AAalayhi fee alakhireena

    En Wij maakten voor hem (zijn goede naam) blijvend onder de lateren.

  136. 37:79

    سَلَٰمٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِى ٱلْعَٰلَمِينَ

    Salamun AAala noohin fee alAAalameena

    Vrede zij met Nôeh in de werelden.

  137. 37:80

    إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

    Inna kathalika najzee almuhsineena

    Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.

  138. 37:81

    إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Innahu min AAibadina almumineena

    Voorwaar, hij behoort tot Onze gelovip dienaren.

  139. 37:82

    ثُمَّ أَغْرَقْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ

    Thumma aghraqna alakhareena

    Wij verdonken toen de anderen.

  140. 37:83

    ۞ وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِۦ لَإِبْرَٰهِيمَ

    Wainna min sheeAAatihi laibraheema

    En voorwaar, tot zijn groep behoorde zeker Ibrâhîm.

  141. 37:84

    إِذْ جَآءَ رَبَّهُۥ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ

    Ith jaa rabbahu biqalbin saleemin

    (Gedenk) toen hij tot zijn Heer kwam met een zuiver hart.

  142. 37:85

    إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَاذَا تَعْبُدُونَ

    Ith qala liabeehi waqawmihi matha taAAbudoona

    Toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: "Wat aanbidden jullie?

  143. 37:86

    أَئِفْكًا ءَالِهَةً دُونَ ٱللَّهِ تُرِيدُونَ

    Aifkan alihatan doona Allahi tureedoona

    Wensen jullie als een verzinsel goden naast Allah?

  144. 37:87

    فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

    Fama thannukum birabbi alAAalameena

    Wat stellen jullie je voor over de Heer der Werelden?"

  145. 37:88

    فَنَظَرَ نَظْرَةً فِى ٱلنُّجُومِ

    Fanathara nathratan fee alnnujoomi

    Hij keek toen een ogenblik naar de sterren.

  146. 37:89

    فَقَالَ إِنِّى سَقِيمٌ

    Faqala innee saqeemun

    Hij zei toen: "Voorwaar, ik ben ziek."

  147. 37:90

    فَتَوَلَّوْا۟ عَنْهُ مُدْبِرِينَ

    Fatawallaw AAanhu mudbireena

    Toen wendden zij zich af, hem de rug toekerend.

  148. 37:91

    فَرَاغَ إِلَىٰٓ ءَالِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ

    Faragha ila alihatihim faqala ala takuloona

    Toen ging hij heimelijk naar hun goden en zei: "Eten jullie (dit voedsel) niet?

  149. 37:92

    مَا لَكُمْ لَا تَنطِقُونَ

    Ma lakum la tantiqoona

    Wat is er met jullie dat jullie niet spreken?"

  150. 37:93

    فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًۢا بِٱلْيَمِينِ

    Faragha AAalayhim darban bialyameeni

    Toen liep hij op hen toe en sloeg (hen) met de rechterhand.

  151. 37:94

    فَأَقْبَلُوٓا۟ إِلَيْهِ يَزِفُّونَ

    Faaqbaloo ilayhi yaziffoona

    Daarop liepen zij (de veelgodenaanbidders) snel naar hem toe.

  152. 37:95

    قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ

    Qala ataAAbudoona ma tanhitoona

    Hij zei: "Aanbidden jullie wat jullie hebben uitgehouwen?

  153. 37:96

    وَٱللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ

    WaAllahu khalaqakum wama taAAmaloona

    Terwijl Allah jullie heeft geschapen en wat jullie maken."

  154. 37:97

    قَالُوا۟ ٱبْنُوا۟ لَهُۥ بُنْيَٰنًا فَأَلْقُوهُ فِى ٱلْجَحِيمِ

    Qaloo ibnoo lahu bunyanan faalqoohu fee aljaheemi

    Zij zeiden: "Bouwt voor hem een bouwwerk (brandstapel) en werpt hem in liet laaiende vuur."

  155. 37:98

    فَأَرَادُوا۟ بِهِۦ كَيْدًا فَجَعَلْنَٰهُمُ ٱلْأَسْفَلِينَ

    Faaradoo bihi kaydan fajaAAalnahumu alasfaleena

    Toen zij een list tegen hem wensten te beramen maakten Wij hen tot de allerlaagsten.

  156. 37:99

    وَقَالَ إِنِّى ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّى سَيَهْدِينِ

    Waqala innee thahibun ila rabbee sayahdeeni

    En hij zei (toen hun pogingen mislukt waren): "Ik wend mij tot mijn Heer, Hij zal mij leiden.

  157. 37:100

    رَبِّ هَبْ لِى مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

    Rabbi hab lee mina alssaliheena

    Mijn Heer, schenk mij (een zoon) van de rechtschapenen."

  158. 37:101

    فَبَشَّرْنَٰهُ بِغُلَٰمٍ حَلِيمٍ

    Fabashsharnahu bighulamin haleemin

    Toen verkondigden Wij hem de verheugende tijding van een zachtmoedige jongen (Ismâ'îl).

  159. 37:102

    فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ ٱلسَّعْىَ قَالَ يَٰبُنَىَّ إِنِّىٓ أَرَىٰ فِى ٱلْمَنَامِ أَنِّىٓ أَذْبَحُكَ فَٱنظُرْ مَاذَا تَرَىٰ ۚ قَالَ يَٰٓأَبَتِ ٱفْعَلْ مَا تُؤْمَرُ ۖ سَتَجِدُنِىٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّٰبِرِينَ

    Falamma balagha maAAahu alssaAAya qala ya bunayya innee ara fee almanami annee athbahuka faonthur matha tara qala ya abati ifAAal ma tumaru satajidunee in shaa Allahu mina alssabireena

    Toen hij de leeftijd had bereikt waarop hij hem (Ibrâhîm) kon helpen, zei hij: "O mijn zoon, voorwaar, ik heb in een droom gezien dat ik jou zal offeren, zeg mij hoe jij daarover denkt," Hij zei: "O mijn vader, doe wat u is bevolen, U zult vinden dat ik, als Allah het wil, tot de geduldigen behoor."

  160. 37:103

    فَلَمَّآ أَسْلَمَا وَتَلَّهُۥ لِلْجَبِينِ

    Falamma aslama watallahu liljabeeni

    Toen zij zich (aan Allah) hadden overgegeven en hij hem op zijn slaap had gelegd (om te offeren).

  161. 37:104

    وَنَٰدَيْنَٰهُ أَن يَٰٓإِبْرَٰهِيمُ

    Wanadaynahu an ya ibraheemu

    Toen riepen Wij tot hem: "O Ibrâhîm!

  162. 37:105

    قَدْ صَدَّقْتَ ٱلرُّءْيَآ ۚ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

    Qad saddaqta alrruya inna kathalika najzee almuhsineena

    Waarlijk, jij hebt de droom in waarheid vervuld. Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners."

  163. 37:106

    إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْبَلَٰٓؤُا۟ ٱلْمُبِينُ

    Inna hatha lahuwa albalao almubeenu

    Voorwaar, dat is zeker de duidelijke beproeving.

  164. 37:107

    وَفَدَيْنَٰهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ

    Wafadaynahu bithibhin AAatheemin

    En Wij gaven hem ter vervanging een groot offerdier.

  165. 37:108

    وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

    Watarakna AAalayhi fee alakhireena

    En Wij maakten voor hem (zijn goede naam) blijvend onder de lateren.

  166. 37:109

    سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِبْرَٰهِيمَ

    Salamun AAala ibraheema

    Vrede zij met Ibrâhîm.

  167. 37:110

    كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

    Kathalika najzee almuhsineena

    Zo belonen Wij de weldoeners.

  168. 37:111

    إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Innahu min AAibadina almumineena

    Voorwaar, hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

  169. 37:112

    وَبَشَّرْنَٰهُ بِإِسْحَٰقَ نَبِيًّا مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

    Wabashsharnahu biishaqa nabiyyan mina alssaliheena

    En Wij verkondigden hem de verheugende tijding over (de geboorte van) Ishâq, als een Profeet van de rechtschapenen.

  170. 37:113

    وَبَٰرَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰٓ إِسْحَٰقَ ۚ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِّنَفْسِهِۦ مُبِينٌ

    Wabarakna AAalayhi waAAala ishaqa wamin thurriyyatihima muhsinun wathalimun linafsihi mubeenun

    En Wij zegenden hem en Ishâq. En onder kun nakomelingen zijn er die weldoener zijn en (ook) die duidelijk onrechtvaardig voor zichzelf zijn.

  171. 37:114

    وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ

    Walaqad mananna AAala moosa waharoona

    En voorzeker, Wij hebben Môesa en Hârôen begenadigd.

  172. 37:115

    وَنَجَّيْنَٰهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ

    Wanajjaynahuma waqawmahuma mina alkarbi alAAatheemi

    En Wij hebben hen beiden en hun volk gered van de geweldige ramp.

  173. 37:116

    وَنَصَرْنَٰهُمْ فَكَانُوا۟ هُمُ ٱلْغَٰلِبِينَ

    Wanasarnahum fakanoo humu alghalibeena

    En Wij hielpen hen, waarop zij de overwinnaars werden.

  174. 37:117

    وَءَاتَيْنَٰهُمَا ٱلْكِتَٰبَ ٱلْمُسْتَبِينَ

    Waataynahuma alkitaba almustabeena

    En Wij gaven hun de verduidelijkende Schrift (de Taurât).

  175. 37:118

    وَهَدَيْنَٰهُمَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلْمُسْتَقِيمَ

    Wahadaynahuma alssirata almustaqeema

    En Wij hebben Hen op het rechte Pad geleid.

  176. 37:119

    وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

    Watarakna AAalayhima fee alakhireena

    En Wij maakten voor hen (hun goede naam) blijvend onder de lateren.

  177. 37:120

    سَلَٰمٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ

    Salamun AAala moosa waharoona

    Vrede zij met Môcsa en Harôen.

  178. 37:121

    إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

    Inna kathalika najzee almuhsineena

    Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.

  179. 37:122

    إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Innahuma min AAibadina almumineena

    Voorwaar, zij behoren tot Onze gelovige dienaren.

  180. 37:123

    وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

    Wainna ilyasa lamina almursaleena

    En voorwaar. Ilyâs behoort zeker tot de Gezondenen.

  181. 37:124

    إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَلَا تَتَّقُونَ

    Ith qala liqawmihi ala tattaqoona

    (Gedenkt) toen hij tot zijn volk zei: "Vrezen jullie (Allah) niet?

  182. 37:125

    أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ ٱلْخَٰلِقِينَ

    AtadAAoona baAAlan watatharoona ahsana alkhaliqeena

    Aanbidden jullie Ba'l (een afgod) en verlaten jullie de Beste der Scheppers?

  183. 37:126

    ٱللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ ءَابَآئِكُمُ ٱلْأَوَّلِينَ

    Allaha rabbakum warabba abaikumu alawwaleena

    Allah is jullie Heer en de Heer van jullie voorvaderen."

  184. 37:127

    فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ

    Fakaththaboohu fainnahum lamuhdaroona

    Toen loochenden zij hem, daarom worden zij zeker voorgeleiden (voor de bestraffing).

  185. 37:128

    إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

    Illa AAibada Allahi almukhlaseena

    Behalve de dienaren van Allah die zuiver in hun aanbidding zijn.

  186. 37:129

    وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

    Watarakna AAalayhi fee alakhireena

    En Wij maakten voor hem (zijn goede naam) blijvend onder de lateren.

  187. 37:130

    سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ

    Salamun AAala il yaseena

    Vrede zij met Ilyâs.

  188. 37:131

    إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

    Inna kathalika najzee almuhsineena

    Voorwaar, zo belonen wij de weldoeners.

  189. 37:132

    إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

    Innahu min AAibadina almumineena

    Voorwaar, hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

  190. 37:133

    وَإِنَّ لُوطًا لَّمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

    Wainna lootan lamina almursaleena

    En voorwaar, Lôeth behoort zeker tot de gezondenen.

  191. 37:134

    إِذْ نَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ

    Ith najjaynahu waahlahu ajmaAAeena

    (Gedenk) toen Wij hem en zijn volgelingen allen hebben gered.

  192. 37:135

    إِلَّا عَجُوزًا فِى ٱلْغَٰبِرِينَ

    Illa AAajoozan fee alghabireena

    Behalve een vrouw (zijn echtgenote) die tot de achterblijvers behoorde.

  193. 37:136

    ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ

    Thumma dammarna alakhareena

    Vervolgens vernietigden Wij de overigen.

  194. 37:137

    وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ

    Wainnakum latamurroona AAalayhim musbiheena

    En voorwaar, jullie gaan in de ochtend aan hen (de ruïnes van hun steden) voorbij.

  195. 37:138

    وَبِٱلَّيْلِ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ

    Wabiallayli afala taAAqiloona

    En ook in de nacht, denken jullie dan niet na?

  196. 37:139

    وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

    Wainna yoonusa lamina almursaleena

    En voorwaar, Yôenoes behoort zeker tot de gezondenen.

  197. 37:140

    إِذْ أَبَقَ إِلَى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ

    Ith abaqa ila alfulki almashhooni

    (Gedenkt) toen hij wegliep naar het volgeladen schip.

  198. 37:141

    فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُدْحَضِينَ

    Fasahama fakana mina almudhadeena

    Toen lootte hij (om een plaats erop) en bij behoorde daarop tot de verliezers.

  199. 37:142

    فَٱلْتَقَمَهُ ٱلْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ

    Failtaqamahu alhootu wahuwa muleemun

    Toen slokte de vis hem op en hij verweet zichzelf.

  200. 37:143

    فَلَوْلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُسَبِّحِينَ

    Falawla annahu kana mina almusabbiheena

    En als hij niet tot degenen die de Glorie van Allah prezen behoord had.

  201. 37:144

    لَلَبِثَ فِى بَطْنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ

    Lalabitha fee batnihi ila yawmi yubAAathoona

    Zou hij zeker in zijn buik zijn gebleven, tot de Dag waarop zij worden opgewekt.

  202. 37:145

    ۞ فَنَبَذْنَٰهُ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٌ

    Fanabathnahu bialAAarai wahuwa saqeemun

    Toen wierpen Wij hem eruit, op een kale vlakte, en hij was ziek.

  203. 37:146

    وَأَنۢبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِّن يَقْطِينٍ

    Waanbatna AAalayhi shajaratan min yaqteenin

    En Wij deden over hem een boom groeien met veel bladeren.

  204. 37:147

    وَأَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ مِا۟ئَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ

    Waarsalnahu ila miati alfin aw yazeedoona

    En Wij zonden hem naar een honderdduizendtal (volgelingen) of meer.

  205. 37:148

    فَـَٔامَنُوا۟ فَمَتَّعْنَٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍ

    Faamanoo famattaAAnahum ila heenin

    Daarop geloofden zij en Wij schonken hun genietingen, voor een bepaalde tijd.

  206. 37:149

    فَٱسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ ٱلْبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلْبَنُونَ

    Faistaftihim alirabbika albanatu walahumu albanoona

    Vraag hen (de ongelovigen), of voor jouw Heer de dochters zijn en voor hen de zonen.

  207. 37:150

    أَمْ خَلَقْنَا ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ إِنَٰثًا وَهُمْ شَٰهِدُونَ

    Am khalaqna almalaikata inathan wahum shahidoona

    Hebben Wij de Engelen als vrouwen geschapen en waren zij getuigen?

  208. 37:151

    أَلَآ إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ

    Ala innahum min ifkihim layaqooloona

    Weet dat zij wegens hun verzonnen leugens zeker zullen zeggen:

  209. 37:152

    وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ

    Walada Allahu wainnahum lakathiboona

    "Allah heeft kinderen verwekt." Voorwaar, zij zijn zeker leugenaars.

  210. 37:153

    أَصْطَفَى ٱلْبَنَاتِ عَلَى ٱلْبَنِينَ

    Astafa albanati AAala albaneena

    Heeft Hij dochters verkozen boven zonen?

  211. 37:154

    مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ

    Ma lakum kayfa tahkumoona

    Wat is er met jullie? Hoe beoordelen jullie?

  212. 37:155

    أَفَلَا تَذَكَّرُونَ

    Afala tathakkaroona

    Laten jullie je dan in iet vermanen?

  213. 37:156

    أَمْ لَكُمْ سُلْطَٰنٌ مُّبِينٌ

    Am lakum sultanun mubeenun

    Of beschikken jullie over een duidelijk bewijs?

  214. 37:157

    فَأْتُوا۟ بِكِتَٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

    Fatoo bikitabikum in kuntum sadiqeena

    Brengt dan jullie boek, als jullie waarachtigen zijn!

  215. 37:158

    وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ

    WajaAAaloo baynahu wabayna aljinnati nasaban walaqad AAalimati aljinnatu innahum lamuhdaroona

    En zij verzinnen verwantschap tussen Hem en de Djinn's. En voorzeker, de Djinn's weten dat zij de voorgeleiden zullen zijn.

  216. 37:159

    سُبْحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ

    Subhana Allahi AAamma yasifoona

    Heilig is Allah boven wat zij toeschrijven.

  217. 37:160

    إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

    Illa AAibada Allahi almukhlaseena

    Behalve de dienaren van Allah die Hem zuiver aanbidden.

  218. 37:161

    فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ

    Fainnakum wama taAAbudoona

    Voorwaar jullie en wat jullie aanbidden.

  219. 37:162

    مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَٰتِنِينَ

    Ma antum AAalayhi bifatineena

    Jullie kunnen niemand tegen (het plan van) Hem te doen dwalen.

  220. 37:163

    إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ

    Illa man huwa sali aljaheemi

    Behalve degene die Djahîm (de Hel) binnengaat.

  221. 37:164

    وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌ مَّعْلُومٌ

    Wama minna illa lahu maqamun maAAloomun

    (De Engelen zeggen:) "En er is niemand van ons, of er is voor hem een bekende plaats.

  222. 37:165

    وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ

    Wainna lanahnu alssaffoona

    En voorwaar, wij zijn degenen die in rijen staan.

  223. 37:166

    وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ

    Wainna lanahnu almusabbihoona

    En voorwaar, wij zijn zeker degenen die de Glorie van Allah prijzen."

  224. 37:167

    وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ

    Wain kanoo layaqooloona

    En zij (de ongelovigen) zullen zeker zeggen:

  225. 37:168

    لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ

    Law anna AAindana thikran mina alawwaleena

    "Als wij over een Vermaning van de vruegeren hadden beschikt,

  226. 37:169

    لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

    Lakunna AAibada Allahi almukhlaseena

    Dan zouden wij zeker tot de dienaren van Allah die Hem zuiver aanbidden hebben behoord."

  227. 37:170

    فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ

    Fakafaroo bihi fasawfa yaAAlamoona

    Maar zij verwierpen hem (de Koran), daarom zullen zij het weten.

  228. 37:171

    وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ

    Walaqad sabaqat kalimatuna liAAibadina almursaleena

    En voorzeker, Ons Woord is voorafgegaan aan Onze gezonden dienaren.

  229. 37:172

    إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ

    Innahum lahumu almansooroona

    Voorwaar, zij zijn het die zeker geholpen zullen worden.

  230. 37:173

    وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَٰلِبُونَ

    Wainna jundana lahumu alghaliboona

    Voorwaar, zij zijn Onze legers die zeker de overwinnaars zullen zijn.

  231. 37:174

    فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ

    Fatawalla AAanhum hatta heenin

    Wend je (O Moehammad) dan voor een bepaalde tijd van hen (de gelovigen) af.

  232. 37:175

    وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ

    Waabsirhum fasawfa yubsiroona

    En kijk naar hen, zij zullen spoedig (de gevolgen) zien.

  233. 37:176

    أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ

    AfabiAAathabina yastaAAjiloona

    Vragen zij dan Onze bestraffing te bespoedigen?

  234. 37:177

    فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ

    Faitha nazala bisahatihim fasaa sabahu almunthareena

    Als dan (de bestraffing) neerdaalt op hun erven, dat is dan de slechtste ochtend voor de gewaarschuwden.

  235. 37:178

    وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ

    Watawalla AAanhum hatta heenin

    En wend je van hen af voor een bepaalde tijd.

  236. 37:179

    وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ

    Waabsir fasawfa yubsiroona

    En kijk, spoedig zullen zij (de bestraffing) zien.

  237. 37:180

    سُبْحَٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ

    Subhana rabbika rabbi alAAizzati AAamma yasifoona

    Heilig is jouw Heer, de Heer van de Almacht, boven wat zij toeschrijven.

  238. 37:181

    وَسَلَٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ

    Wasalamun AAala almursaleena

    En vrede zij met de gezondenen.

  239. 37:182

    وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

    Waalhamdu lillahi rabbi alAAalameena

    En alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.

  240. Soera Saad سُورَةُ ص
  241. 38:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ صٓ ۚ وَٱلْقُرْءَانِ ذِى ٱلذِّكْرِ

    Sad waalqurani thee alththikri

    Shâd. Bij de Koran, bezitter van eer.

  242. 38:2

    بَلِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ فِى عِزَّةٍ وَشِقَاقٍ

    Bali allatheena kafaroo fee AAizzatin washiqaqin

    Maar degenen die ongelovig zijn., verkeren in eigendunk en opstandigheid.

  243. 38:3

    كَمْ أَهْلَكْنَا مِن قَبْلِهِم مِّن قَرْنٍ فَنَادَوا۟ وَّلَاتَ حِينَ مَنَاصٍ

    Kam ahlakna min qablihim min qarnin fanadaw walata heena manasin

    Hoeveelgeneraties vóór hen hebben Wij niet vernietigd, die toen (tot Ons) riepen. Die tijd was niet de tijd om te vluchten.

  244. 38:4

    وَعَجِبُوٓا۟ أَن جَآءَهُم مُّنذِرٌ مِّنْهُمْ ۖ وَقَالَ ٱلْكَٰفِرُونَ هَٰذَا سَٰحِرٌ كَذَّابٌ

    WaAAajiboo an jaahum munthirun minhum waqala alkafiroona hatha sahirun kaththabun

    En zij verbaasden zich dat er om waarschuwer uit hun midden tot hen was gekomen. En de ongelovigen zeiden: "Dit is een liegende tovenaar!

  245. 38:5

    أَجَعَلَ ٱلْـَٔالِهَةَ إِلَٰهًا وَٰحِدًا ۖ إِنَّ هَٰذَا لَشَىْءٌ عُجَابٌ

    AjaAAala alalihata ilahan wahidan inna hatha lashayon AAujabun

    Heeft hij de goden tot één God gernaakt? Voorwaar, dit is zeker een verbazingwekkend iets."

  246. 38:6

    وَٱنطَلَقَ ٱلْمَلَأُ مِنْهُمْ أَنِ ٱمْشُوا۟ وَٱصْبِرُوا۟ عَلَىٰٓ ءَالِهَتِكُمْ ۖ إِنَّ هَٰذَا لَشَىْءٌ يُرَادُ

    Waintalaqa almalao minhum ani imshoo waisbiroo AAala alihatikum inna hatha lashayon yuradu

    En de vooranstaanden onder hen gingen weg (zeggend:) "Ga door en wees geduldig met (de aanbidding van) jullie goden. Voorwaar, dat (van Moehammad) is zeker iets dat (tegen jullie) bedoeld is.

  247. 38:7

    مَا سَمِعْنَا بِهَٰذَا فِى ٱلْمِلَّةِ ٱلْـَٔاخِرَةِ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا ٱخْتِلَٰقٌ

    Ma samiAAna bihatha fee almillati alakhirati in hatha illa ikhtilaqun

    En wij hebben hierover niets gehoord in de laatste godsdienst. Dit is niets dan een verzinsel."

  248. 38:8

    أَءُنزِلَ عَلَيْهِ ٱلذِّكْرُ مِنۢ بَيْنِنَا ۚ بَلْ هُمْ فِى شَكٍّ مِّن ذِكْرِى ۖ بَل لَّمَّا يَذُوقُوا۟ عَذَابِ

    Aonzila AAalayhi alththikru min baynina bal hum fee shakkin min thikree bal lamma yathooqoo AAathabi

    Is aan hem uit Ons midden de Vermaning neergezonden? Nee! Zij verkeren in twijfel over Mijn Vermaning. Nee! Zij hebben de bestraffing nog niet geproefd.

  249. 38:9

    أَمْ عِندَهُمْ خَزَآئِنُ رَحْمَةِ رَبِّكَ ٱلْعَزِيزِ ٱلْوَهَّابِ

    Am AAindahum khazainu rahmati rabbika alAAazeezi alwahhabi

    Of zijn bij ben de schatten van de Barmhartigheid van jouw Heer, de Almachtig, de Schenker?

  250. 38:10

    أَمْ لَهُم مُّلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ فَلْيَرْتَقُوا۟ فِى ٱلْأَسْبَٰبِ

    Am lahum mulku alssamawati waalardi wama baynahuma falyartaqoo fee alasbabi

    Of behoort aan hèn het koninkrijk van de hemelen en de aarde en wat daartussen is? Laten zij dan langs de ladders omhoog klimmen!

  251. 38:11

    جُندٌ مَّا هُنَالِكَ مَهْزُومٌ مِّنَ ٱلْأَحْزَابِ

    Jundun ma hunalika mahzoomun mina alahzabi

    Zij zijn daar niets anden dan het verslagen leger van de bondgenoten.

  252. 38:12

    كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ وَعَادٌ وَفِرْعَوْنُ ذُو ٱلْأَوْتَادِ

    Kaththabat qablahum qawmu noohin waAAadun wafirAAawnu thoo alawtadi

    Vóór hen loochende het volk van Nôeh, en (het volk van) de 'Âd en Fir'aun, de bezitter van de pinnen (macht).

  253. 38:13

    وَثَمُودُ وَقَوْمُ لُوطٍ وَأَصْحَٰبُ لْـَٔيْكَةِ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلْأَحْزَابُ

    Wathamoodu waqawmu lootin waashabu alaykati olaika alahzabu

    En de Tsamôed, het volk van Lôeth en de bewoners van Aikah. Zij zijn de bondgenoten.

  254. 38:14

    إِن كُلٌّ إِلَّا كَذَّبَ ٱلرُّسُلَ فَحَقَّ عِقَابِ

    In kullun illa kaththaba alrrusula fahaqqa AAiqabi

    En er was niemand onder hen, of hij loochende de Boodschappers, zodat Mijn bestraffing bewaarheid word.

  255. 38:15

    وَمَا يَنظُرُ هَٰٓؤُلَآءِ إِلَّا صَيْحَةً وَٰحِدَةً مَّا لَهَا مِن فَوَاقٍ

    Wama yanthuru haolai illa sayhatan wahidatan ma laha min fawaqin

    En zij wachtten slechts op één enkele bliksemslag, die geen onderbreking kent.

  256. 38:16

    وَقَالُوا۟ رَبَّنَا عَجِّل لَّنَا قِطَّنَا قَبْلَ يَوْمِ ٱلْحِسَابِ

    Waqaloo rabbana AAajjil lana qittana qabla yawmi alhisabi

    En zij zeggen: "Onze Heer, bespoedig voor ons ons deel (van de bestraffing) vóór de Dag des Oordeels."

  257. 38:17

    ٱصْبِرْ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَٱذْكُرْ عَبْدَنَا دَاوُۥدَ ذَا ٱلْأَيْدِ ۖ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٌ

    Isbir AAala ma yaqooloona waothkur AAabdana dawooda tha alaydi innahu awwabun

    Weest geduldig mt wat zij zij zeggen, en gedenk Onze dienaar Dâwôed, de bezitter van kracht. Voorwaar, hij is de meest berouwtonende.

  258. 38:18

    إِنَّا سَخَّرْنَا ٱلْجِبَالَ مَعَهُۥ يُسَبِّحْنَ بِٱلْعَشِىِّ وَٱلْإِشْرَاقِ

    Inna sakhkharna aljibala maAAahu yusabbihna bialAAashiyyi waalishraqi

    En Wij maakten de bergen dienstbaar, die met hem de Glorie van Allah prezen in de avond en in de ochtend.

  259. 38:19

    وَٱلطَّيْرَ مَحْشُورَةً ۖ كُلٌّ لَّهُۥٓ أَوَّابٌ

    Waalttayra mahshooratan kullun lahu awwabun

    En (ook) de verzamelde vogels, allen wendden zich voortdurend tot Hem.

  260. 38:20

    وَشَدَدْنَا مُلْكَهُۥ وَءَاتَيْنَٰهُ ٱلْحِكْمَةَ وَفَصْلَ ٱلْخِطَابِ

    Washadadna mulkahu waataynahu alhikmata wafasla alkhitabi

    En Wij versterkten zi n koninkrijk en Wij gaven hem de wijsheid en de beslissende uitspraken.

  261. 38:21

    ۞ وَهَلْ أَتَىٰكَ نَبَؤُا۟ ٱلْخَصْمِ إِذْ تَسَوَّرُوا۟ ٱلْمِحْرَابَ

    Wahal ataka nabao alkhasmi ith tasawwaroo almihraba

    Heeft jou het bericht over de onenigheid bereikt? Toen zij over de muur de gebedsruimte binnendrongen?

  262. 38:22

    إِذْ دَخَلُوا۟ عَلَىٰ دَاوُۥدَ فَفَزِعَ مِنْهُمْ ۖ قَالُوا۟ لَا تَخَفْ ۖ خَصْمَانِ بَغَىٰ بَعْضُنَا عَلَىٰ بَعْضٍ فَٱحْكُم بَيْنَنَا بِٱلْحَقِّ وَلَا تُشْطِطْ وَٱهْدِنَآ إِلَىٰ سَوَآءِ ٱلصِّرَٰطِ

    Ith dakhaloo AAala dawooda fafaziAAa minhum qaloo la takhaf khasmani bagha baAAduna AAala baAAdin faohkum baynana bialhaqqi wala tushtit waihdina ila sawai alssirati

    Toen zij bij Dâwôed binnenkwamen, schrok Hij van ten, zij zeiden: "Wees niet bang, wij zijn twee mannen die het met elkaar oneens zijn, een van ons heeft de ander onrechtvaardig behandeld. Oordeel daarom rechtvaardig tussen ons en wijk niet af van de Waarheid en leid ons naar het rechte Pad.

  263. 38:23

    إِنَّ هَٰذَآ أَخِى لَهُۥ تِسْعٌ وَتِسْعُونَ نَعْجَةً وَلِىَ نَعْجَةٌ وَٰحِدَةٌ فَقَالَ أَكْفِلْنِيهَا وَعَزَّنِى فِى ٱلْخِطَابِ

    Inna hatha akhee lahu tisAAun watisAAoona naAAjatan waliya naAAjatun wahidatun faqala akfilneeha waAAazzanee fee alkhitabi

    Voorwaar, mijn broeder heeft negen en negentig ooien en ik heb één ooi. Toen zei hij: 'Sta haar aan mij af.' En hij versloeg mij in het redetwisten."

  264. 38:24 ۩ Sajda (neerknieling)

    قَالَ لَقَدْ ظَلَمَكَ بِسُؤَالِ نَعْجَتِكَ إِلَىٰ نِعَاجِهِۦ ۖ وَإِنَّ كَثِيرًا مِّنَ ٱلْخُلَطَآءِ لَيَبْغِى بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ إِلَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَقَلِيلٌ مَّا هُمْ ۗ وَظَنَّ دَاوُۥدُ أَنَّمَا فَتَنَّٰهُ فَٱسْتَغْفَرَ رَبَّهُۥ وَخَرَّ رَاكِعًا وَأَنَابَ ۩

    Qala laqad thalamaka bisuali naAAjatika ila niAAajihi wainna katheeran mina alkhulatai layabghee baAAduhum AAala baAAdin illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati waqaleelun ma hum wathanna dawoodu annama fatannahu faistaghfara rabbahu wakharra rakiAAan waanaba

    Bij (Dâwôed) zei: "Voorzeker, hij heeft jou onrechtvaardig behandeld met de eis om jouw ooi am zijn ooien toe te voegen. En voorwaar, vele genoten behandelen elkaar onrechtvaardig, behalve degenen die geloven en die goede werken verrichten, en zij zijn slechts weinigen. En Dâwôed vermoedde dat Wij hem op de proef stelden, waarop hij zijn Heer om vergeving smeekte. Hij boog zich neer en hij toonde berouw.

  265. 38:25

    فَغَفَرْنَا لَهُۥ ذَٰلِكَ ۖ وَإِنَّ لَهُۥ عِندَنَا لَزُلْفَىٰ وَحُسْنَ مَـَٔابٍ

    Faghafarna lahu thalika wainna lahu AAindana lazulfa wahusna maabin

    Toen vergaven Wij hem dat. En voorwaar, voor hem is er bij Ons zeker (Onze) nabijheid en de beste plaats van terugkeer.

  266. 38:26

    يَٰدَاوُۥدُ إِنَّا جَعَلْنَٰكَ خَلِيفَةً فِى ٱلْأَرْضِ فَٱحْكُم بَيْنَ ٱلنَّاسِ بِٱلْحَقِّ وَلَا تَتَّبِعِ ٱلْهَوَىٰ فَيُضِلَّكَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ ۚ إِنَّ ٱلَّذِينَ يَضِلُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ لَهُمْ عَذَابٌ شَدِيدٌۢ بِمَا نَسُوا۟ يَوْمَ ٱلْحِسَابِ

    Ya dawoodu inna jaAAalnaka khaleefatan fee alardi faohkum bayna alnnasi bialhaqqi wala tattabiAAi alhawa fayudillaka AAan sabeeli Allahi inna allatheena yadilloona AAan sabeeli Allahi lahum AAathabun shadeedun bima nasoo yawma alhisabi

    O Dâwôed, Wij hebben jou tot gevolmachtigde op aarde aangesteld, oordeel daarom met de Waarheid tussen de mensen en volg niet de begeerte, want die zal jou doen afdwalen van de Weg van Allah. Voorwaar, degenen die van de Weg van Allah afdwalen: voor hen is er een harde bestraffing omdat zij de Dag des Oordeels vergaten.

  267. 38:27

    وَمَا خَلَقْنَا ٱلسَّمَآءَ وَٱلْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا بَٰطِلًا ۚ ذَٰلِكَ ظَنُّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ ۚ فَوَيْلٌ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنَ ٱلنَّارِ

    Wama khalaqna alssamaa waalarda wama baynahuma batilan thalika thannu allatheena kafaroo fawaylun lillatheena kafaroo mina alnnari

    En Wij hebben de hemel en de aarde en wat dartussen is niet voor niets geschapen. Dat is een vermoeden van degenen die ongelovig zijn. Wee daarom degenen die niet in de Hel geloven.

  268. 38:28

    أَمْ نَجْعَلُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ كَٱلْمُفْسِدِينَ فِى ٱلْأَرْضِ أَمْ نَجْعَلُ ٱلْمُتَّقِينَ كَٱلْفُجَّارِ

    Am najAAalu allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati kaalmufsideena fee alardi am najAAalu almuttaqeena kaalfujjari

    Zullen Wij degenen die geloven en goede werken verrichten behandelen als de verderfzaaiers op de aarde? Of zullen Wij de Moettaqôen be handelen als de verdorvenen?

  269. 38:29

    كِتَٰبٌ أَنزَلْنَٰهُ إِلَيْكَ مُبَٰرَكٌ لِّيَدَّبَّرُوٓا۟ ءَايَٰتِهِۦ وَلِيَتَذَكَّرَ أُو۟لُوا۟ ٱلْأَلْبَٰبِ

    Kitabun anzalnahu ilayka mubarakun liyaddabbaroo ayatihi waliyatathakkara oloo alalbabi

    (Dit is) een gezegend Boek dat Wij aan jou hebben neergezonden opdat zij Zijn Verzen zullen overpeinzen en opdat de bezitters van verstand er lering uit trekken.

  270. 38:30

    وَوَهَبْنَا لِدَاوُۥدَ سُلَيْمَٰنَ ۚ نِعْمَ ٱلْعَبْدُ ۖ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٌ

    Wawahabna lidawooda sulaymana niAAma alAAabdu innahu awwabun

    En Wij schonken Dâwôed Soelaimân, de beste dienaar. Voorwaar, hij is de meest berouwtonende.

  271. 38:31

    إِذْ عُرِضَ عَلَيْهِ بِٱلْعَشِىِّ ٱلصَّٰفِنَٰتُ ٱلْجِيَادُ

    Ith AAurida AAalayhi bialAAashiyyi alssafinatu aljiyadu

    (Gedenkt) toen hem in de avond dc snelle raspaarden werden getoond.

  272. 38:32

    فَقَالَ إِنِّىٓ أَحْبَبْتُ حُبَّ ٱلْخَيْرِ عَن ذِكْرِ رَبِّى حَتَّىٰ تَوَارَتْ بِٱلْحِجَابِ

    Faqala innee ahbabtu hubba alkhayri AAan thikri rabbee hatta tawarat bialhijabi

    Toen zei hij: "Voorwaar, ik koesterde de liefde voor het goede ten koste van het gedenken van mijn Heer, totdat zij onzichtbaar werden door de zonsondergang.

  273. 38:33

    رُدُّوهَا عَلَىَّ ۖ فَطَفِقَ مَسْحًۢا بِٱلسُّوقِ وَٱلْأَعْنَاقِ

    Ruddooha AAalayya fatafiqa mashan bialssooqi waalaAAnaqi

    Brengt ze naar mij terug." Daarna begon bij (de paarden) over de benen en de halzen te stirijken.

  274. 38:34

    وَلَقَدْ فَتَنَّا سُلَيْمَٰنَ وَأَلْقَيْنَا عَلَىٰ كُرْسِيِّهِۦ جَسَدًا ثُمَّ أَنَابَ

    Walaqad fatanna sulaymana waalqayna AAala kursiyyihi jasadan thumma anaba

    En voorzeker, Wij hebben Soelaimân op de proef gesteld en Wij zetten (hem) op zijn zetel, als een lichaam, waarna hij berouw toonde.

  275. 38:35

    قَالَ رَبِّ ٱغْفِرْ لِى وَهَبْ لِى مُلْكًا لَّا يَنۢبَغِى لِأَحَدٍ مِّنۢ بَعْدِىٓ ۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلْوَهَّابُ

    Qala rabbi ighfir lee wahab lee mulkan la yanbaghee liahadin min baAAdee innaka anta alwahhabu

    Hij zei: "Mijn Heer, vergeef rnij, en schenk mij een koninkrijk dat niemand na mij ooit zal bezitten. Voorwaar, U bent de Schenker.

  276. 38:36

    فَسَخَّرْنَا لَهُ ٱلرِّيحَ تَجْرِى بِأَمْرِهِۦ رُخَآءً حَيْثُ أَصَابَ

    Fasakhkharna lahu alrreeha tajree biamrihi rukhaan haythu asaba

    En Wij maakten de wind un hem dienstbaar, die volgzaan waaide op zijn bevel, waarheen bij wilde.

  277. 38:37

    وَٱلشَّيَٰطِينَ كُلَّ بَنَّآءٍ وَغَوَّاصٍ

    Waalshshayateena kulla bannain waghawwasin

    En (ook) de Satans, allen waren bouwers en duikers.

  278. 38:38

    وَءَاخَرِينَ مُقَرَّنِينَ فِى ٱلْأَصْفَادِ

    Waakhareena muqarraneena fee alasfadi

    En andere (Satans) vastgebonden in ketenen.

  279. 38:39

    هَٰذَا عَطَآؤُنَا فَٱمْنُنْ أَوْ أَمْسِكْ بِغَيْرِ حِسَابٍ

    Hatha AAataona faomnun aw amsik bighayri hisabin

    Dat is een ge-schenk van Ons, geef (het) dan weg of houd (het) achter; zonder afrekening.

  280. 38:40

    وَإِنَّ لَهُۥ عِندَنَا لَزُلْفَىٰ وَحُسْنَ مَـَٔابٍ

    Wainna lahu AAindana lazulfa wahusna maabin

    En voorwaar, voor hem is er bij Ons zeker (Onze) nabijheid en de beste plaats van terugkeer.

  281. 38:41

    وَٱذْكُرْ عَبْدَنَآ أَيُّوبَ إِذْ نَادَىٰ رَبَّهُۥٓ أَنِّى مَسَّنِىَ ٱلشَّيْطَٰنُ بِنُصْبٍ وَعَذَابٍ

    Waothkur AAabdana ayyooba ith nada rabbahu annee massaniya alshshaytanu binusbin waAAathabin

    En gedenk Onze dienaar, Ayyôeb, toen hij tot zij Heer riep: "Voorwaw, de Satan heeft mij getroffen met tegenspoed en bestraffing."

  282. 38:42

    ٱرْكُضْ بِرِجْلِكَ ۖ هَٰذَا مُغْتَسَلٌۢ بَارِدٌ وَشَرَابٌ

    Orkud birijlika hatha mughtasalun baridun washarabun

    (Allah antwoordde:) "Stamp met jouw voet, dit is koel water om te baden en om van te drinken."

  283. 38:43

    وَوَهَبْنَا لَهُۥٓ أَهْلَهُۥ وَمِثْلَهُم مَّعَهُمْ رَحْمَةً مِّنَّا وَذِكْرَىٰ لِأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ

    Wawahabna lahu ahlahu wamithlahum maAAahum rahmatan minna wathikra liolee alalbabi

    En Wij hebben hem zijn familie en nog eens zoveel met hen geschonken, als een genade van Ons en als een tering voor de bezitters van verstand.

  284. 38:44

    وَخُذْ بِيَدِكَ ضِغْثًا فَٱضْرِب بِّهِۦ وَلَا تَحْنَثْ ۗ إِنَّا وَجَدْنَٰهُ صَابِرًا ۚ نِّعْمَ ٱلْعَبْدُ ۖ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٌ

    Wakhuth biyadika dighthan faidrib bihi wala tahnath inna wajadnahu sabiran niAAma alAAabdu innahu awwabun

    (Allah zei tegen Ayyôeb:) "En neem een bosje gras in je hand, en sla daarmee (jouw vrouw) en breek jouw eed niet." Voorwaar, Wij troffen hem aan als een geduldige, de beste dienaar. Voorwaar, hij is de meest berouwtonende.

  285. 38:45

    وَٱذْكُرْ عِبَٰدَنَآ إِبْرَٰهِيمَ وَإِسْحَٰقَ وَيَعْقُوبَ أُو۟لِى ٱلْأَيْدِى وَٱلْأَبْصَٰرِ

    Waothkur AAibadana ibraheema waishaqa wayaAAqooba olee alaydee waalabsari

    En gedenk Onze dienaren Ibrâhîm en Ishâq en Ya'qôeb allen waren beziners van grote kracht en inzicht.

  286. 38:46

    إِنَّآ أَخْلَصْنَٰهُم بِخَالِصَةٍ ذِكْرَى ٱلدَّارِ

    Inna akhlasnahum bikhalisatin thikra alddari

    Voorwaar, Wij zuiverden hen volledig ten behoeve van (hun) godachtenis van het Hiernamaals.

  287. 38:47

    وَإِنَّهُمْ عِندَنَا لَمِنَ ٱلْمُصْطَفَيْنَ ٱلْأَخْيَارِ

    Wainnahum AAindana lamina almustafayna alakhyari

    En voorwaar, zij behoorden bij Ons zeker tot de beste uitgekozenen.

  288. 38:48

    وَٱذْكُرْ إِسْمَٰعِيلَ وَٱلْيَسَعَ وَذَا ٱلْكِفْلِ ۖ وَكُلٌّ مِّنَ ٱلْأَخْيَارِ

    Waothkur ismaAAeela wailyasaAAa watha alkifli wakullun mina alakhyari

    En gedeak Ismâ'îl (en Al Yasa' en Dzôelkifl: zij behoorden allen tot de besten.

  289. 38:49

    هَٰذَا ذِكْرٌ ۚ وَإِنَّ لِلْمُتَّقِينَ لَحُسْنَ مَـَٔابٍ

    Hatha thikrun wainna lilmuttaqeena lahusna maabin

    Dit is een herinnering, en voorwaar, voor de Moettaqôen is er zeker de beste plaats van terrugkeer.

  290. 38:50

    جَنَّٰتِ عَدْنٍ مُّفَتَّحَةً لَّهُمُ ٱلْأَبْوَٰبُ

    Jannati AAadnin mufattahatan lahumu alabwabu

    De Tuinen van 'Adn (het Paradijs) waarvan de poorten voor hen geopend zijn.

  291. 38:51

    مُتَّكِـِٔينَ فِيهَا يَدْعُونَ فِيهَا بِفَٰكِهَةٍ كَثِيرَةٍ وَشَرَابٍ

    Muttakieena feeha yadAAoona feeha bifakihatin katheeratin washarabin

    Daarin leunen zij, zij vragen daarin om vele vruchten en om drinken.

  292. 38:52

    ۞ وَعِندَهُمْ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ أَتْرَابٌ

    WaAAindahum qasiratu alttarfi atrabun

    En bij hen zijn mooie gezellinnen met ingetogen blikken, gelijk in leeftijd.

  293. 38:53

    هَٰذَا مَا تُوعَدُونَ لِيَوْمِ ٱلْحِسَابِ

    Hatha ma tooAAadoona liyawmi alhisabi

    Dat is wat aan jullie beloofd is voor de Dag des Oordeels.

  294. 38:54

    إِنَّ هَٰذَا لَرِزْقُنَا مَا لَهُۥ مِن نَّفَادٍ

    Inna hatha larizquna ma lahu min nafadin

    Voorwaar, dit is zeker een voorziening van Ons die geen einde kent.

  295. 38:55

    هَٰذَا ۚ وَإِنَّ لِلطَّٰغِينَ لَشَرَّ مَـَٔابٍ

    Hatha wainna lilttagheena lasharra maabin

    Zo is het. En voorwaar, voor de overtreders is er zeker de slechtste plaats van terugkeer.

  296. 38:56

    جَهَنَّمَ يَصْلَوْنَهَا فَبِئْسَ ٱلْمِهَادُ

    Jahannama yaslawnaha fabisa almihadu

    De Hel, daarin zullen zij binnentreden en dat is de slechtste rustplaats.

  297. 38:57

    هَٰذَا فَلْيَذُوقُوهُ حَمِيمٌ وَغَسَّاقٌ

    Hatha falyathooqoohu hameemun waghassaqun

    Zo is het. Laten zij hem (de bestraffing) proeven: kokend water en etter.

  298. 38:58

    وَءَاخَرُ مِن شَكْلِهِۦٓ أَزْوَٰجٌ

    Waakharu min shaklihi azwajun

    En andere, daarop lijkende soorten.

  299. 38:59

    هَٰذَا فَوْجٌ مُّقْتَحِمٌ مَّعَكُمْ ۖ لَا مَرْحَبًۢا بِهِمْ ۚ إِنَّهُمْ صَالُوا۟ ٱلنَّارِ

    Hatha fawjun muqtahimun maAAakum la marhaban bihim innahum saloo alnnari

    Dit is een groep die samen niet jullie binnenstroomt. Er is geen welkom voor hen. Voorwaar, zij treden de Hel binnen.

  300. 38:60

    قَالُوا۟ بَلْ أَنتُمْ لَا مَرْحَبًۢا بِكُمْ ۖ أَنتُمْ قَدَّمْتُمُوهُ لَنَا ۖ فَبِئْسَ ٱلْقَرَارُ

    Qaloo bal antum la marhaban bikum antum qaddamtumoohu lana fabisa alqararu

    Zij (hun volgelingen zullen) zeggen: "Nee, juist voor jullie is er geen welkom, jullie zijn het die dit over ons hebben gebracht." Dat is dan de slechtste vestiging.

  301. 38:61

    قَالُوا۟ رَبَّنَا مَن قَدَّمَ لَنَا هَٰذَا فَزِدْهُ عَذَابًا ضِعْفًا فِى ٱلنَّارِ

    Qaloo rabbana man qaddama lana hatha fazidhu AAathaban diAAfan fee alnnari

    Zij zullen zeggen: "Onze Heer, voor wie dit over ons heeft gebracht: vermenigvuldig de bestraffing in de Hel voor hem."

  302. 38:62

    وَقَالُوا۟ مَا لَنَا لَا نَرَىٰ رِجَالًا كُنَّا نَعُدُّهُم مِّنَ ٱلْأَشْرَارِ

    Waqaloo ma lana la nara rijalan kunna naAAudduhum mina alashrari

    En zij zullen zeggen: "Hou komt het dat wij niet de mensen (gelovigen) zien, die wij tot de slechtsten rekenden?

  303. 38:63

    أَتَّخَذْنَٰهُمْ سِخْرِيًّا أَمْ زَاغَتْ عَنْهُمُ ٱلْأَبْصَٰرُ

    Attakhathnahum sikhriyyan am zaghat AAanhumu alabsaru

    Is het omdat wij hen tot onderwerp van bespotting maakten, of slagen de ogen er niet in hen te zien?"

  304. 38:64

    إِنَّ ذَٰلِكَ لَحَقٌّ تَخَاصُمُ أَهْلِ ٱلنَّارِ

    Inna thalika lahaqqun takhasumu ahli alnnari

    Voorwaar, dat zal zeker de waarheid zijn: het redetwisten van de bewoners van de Hel.

  305. 38:65

    قُلْ إِنَّمَآ أَنَا۠ مُنذِرٌ ۖ وَمَا مِنْ إِلَٰهٍ إِلَّا ٱللَّهُ ٱلْوَٰحِدُ ٱلْقَهَّارُ

    Qul innama ana munthirun wama min ilahin illa Allahu alwahidu alqahharu

    Zeg: "Ik ben slechts een waarschuwer, en er is geen god dan Allah, de Ene, de Overweldiger.

  306. 38:66

    رَبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ٱلْعَزِيزُ ٱلْغَفَّٰرُ

    Rabbu alssamawati waalardi wama baynahuma alAAazeezu alghaffaru

    De Heer van de hemelen en de aarde en wat er tussen hen is, de Almachtige, de Vergevensgezinde."

  307. 38:67

    قُلْ هُوَ نَبَؤٌا۟ عَظِيمٌ

    Qul huwa nabaon AAatheemun

    Zeg: "Dit is een geweldig bericht.

  308. 38:68

    أَنتُمْ عَنْهُ مُعْرِضُونَ

    Antum AAanhu muAAridoona

    Waarvan jullie je afwenden.

  309. 38:69

    مَا كَانَ لِىَ مِنْ عِلْمٍۭ بِٱلْمَلَإِ ٱلْأَعْلَىٰٓ إِذْ يَخْتَصِمُونَ

    Ma kana liya min AAilmin bialmalai alaAAla ith yakhtasimoona

    Het is voor mij niet mogelijk dat ik kennis zou hebben over de Engelen toen zij redetwistten.

  310. 38:70

    إِن يُوحَىٰٓ إِلَىَّ إِلَّآ أَنَّمَآ أَنَا۠ نَذِيرٌ مُّبِينٌ

    In yooha ilayya illa annama ana natheerun mubeenun

    Het is aan mij geopenbaard dat ik slechts een duidelijke waarschuwer ben."

  311. 38:71

    إِذْ قَالَ رَبُّكَ لِلْمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّى خَٰلِقٌۢ بَشَرًا مِّن طِينٍ

    Ith qala rabbuka lilmalaikati innee khaliqun basharan min teenin

    (Gedenk) Toen jouw Heer tot de Engelen zei: "'Voorwaar, Ik schep een mens uit aarde.

  312. 38:72

    فَإِذَا سَوَّيْتُهُۥ وَنَفَخْتُ فِيهِ مِن رُّوحِى فَقَعُوا۟ لَهُۥ سَٰجِدِينَ

    Faitha sawwaytuhu wanafakhtu feehi min roohee faqaAAoo lahu sajideena

    En Ik vervolmaak hem, en blaas hem van de Geest in." Toen knielden zij zich voor hem neer.

  313. 38:73

    فَسَجَدَ ٱلْمَلَٰٓئِكَةُ كُلُّهُمْ أَجْمَعُونَ

    Fasajada almalaikatu kulluhum ajmaAAoona

    Toen knielden alle Engelen tezamen neer.

  314. 38:74

    إِلَّآ إِبْلِيسَ ٱسْتَكْبَرَ وَكَانَ مِنَ ٱلْكَٰفِرِينَ

    Illa ibleesa istakbara wakana mina alkafireena

    Behalve Iblîs, hij was hoogmoedig en hij behoorde tot de ongelovigen.

  315. 38:75

    قَالَ يَٰٓإِبْلِيسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسْجُدَ لِمَا خَلَقْتُ بِيَدَىَّ ۖ أَسْتَكْبَرْتَ أَمْ كُنتَ مِنَ ٱلْعَالِينَ

    Qala ya ibleesu ma manaAAaka an tasjuda lima khalaqtu biyadayya astakbarta am kunta mina alAAaleena

    Hij (Allah) zei: "O Iblîs, wat heeft jou ervan weerhouden om neer te knielen toen Ik (Adam) met Mijn beide Handen had geschapen? Was jij hoogmoedig, of behoorde jij tot de hooghartigen?"

  316. 38:76

    قَالَ أَنَا۠ خَيْرٌ مِّنْهُ ۖ خَلَقْتَنِى مِن نَّارٍ وَخَلَقْتَهُۥ مِن طِينٍ

    Qala ana khayrun minhu khalaqtanee min narin wakhalaqtahu min teenin

    Hij zei: "Ik ben beter dan hij. U heeft mij uit vuur geschapen, terwijl U hem uit aarde heeft geschapen.

  317. 38:77

    قَالَ فَٱخْرُجْ مِنْهَا فَإِنَّكَ رَجِيمٌ

    Qala faokhruj minha fainnaka rajeemun

    Hij (Allah) zei: "Ga dan weg uit haar (het Paradijs): voorwaar, jij bent een verworpene.

  318. 38:78

    وَإِنَّ عَلَيْكَ لَعْنَتِىٓ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلدِّينِ

    Wainna AAalayka laAAnatee ila yawmi alddeeni

    En voorwaar, op jou rust Mijn vervloeking, tot de Dag des Oordeels."

  319. 38:79

    قَالَ رَبِّ فَأَنظِرْنِىٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ

    Qala rabbi faanthirnee ila yawmi yubAAathoona

    Hij (Iblîs) zei: "Mijn Heer, geef mij uitstel tot de Dag waarop zij zullen worden opgewekt."

  320. 38:80

    قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ ٱلْمُنظَرِينَ

    Qala fainnaka mina almunthareena

    Hij (Allah) zei: "Voorwaar, jij behoort dan tot hen aan wie uitstel is gegeven.

  321. 38:81

    إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْوَقْتِ ٱلْمَعْلُومِ

    Ila yawmi alwaqti almaAAloomi

    Tot de Dag van de vastgestelde tijd."

  322. 38:82

    قَالَ فَبِعِزَّتِكَ لَأُغْوِيَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ

    Qala fabiAAizzatika laoghwiyannahum ajmaAAeena

    Hij (Iblîs) zei: "Bij Uw eer dan, ik zal hen zeker allen misleiden.

  323. 38:83

    إِلَّا عِبَادَكَ مِنْهُمُ ٱلْمُخْلَصِينَ

    Illa AAibadaka minhumu almukhlaseena

    Behalve Uw dienaren onder hen die zuiver zijn in hun aanbidding."

  324. 38:84

    قَالَ فَٱلْحَقُّ وَٱلْحَقَّ أَقُولُ

    Qala faalhaqqu waalhaqqa aqoolu

    Hij (Allah): "De Waarheid, en Ik spreek de Waarheid.

  325. 38:85

    لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنكَ وَمِمَّن تَبِعَكَ مِنْهُمْ أَجْمَعِينَ

    Laamlaanna jahannama minka wamimman tabiAAaka minhum ajmaAAeena

    Ik zal zeker De Hel vullen met jou en met degenen onder hen die jou volgden, tezamen."

  326. 38:86

    قُلْ مَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلْمُتَكَلِّفِينَ

    Qul ma asalukum AAalayhi min ajrin wama ana mina almutakallifeena

    Zeg (O Moehammad): "Ik vraag jullie er geen beloning voor en ik behoor niet tot hen die verzinnen.

  327. 38:87

    إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرٌ لِّلْعَٰلَمِينَ

    In huwa illa thikrun lilAAalameena

    Hij (de Koran) is niets dan een Vermaning voor de werelden.

  328. 38:88

    وَلَتَعْلَمُنَّ نَبَأَهُۥ بَعْدَ حِينٍۭ

    WalataAAlamunna nabaahu baAAda heenin

    En over een tijd zullen jullie zeker weten wat zijn boodschap was."

  329. Soera Az-Zumar سُورَةُ الزمر
  330. 39:1

    بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ تَنزِيلُ ٱلْكِتَٰبِ مِنَ ٱللَّهِ ٱلْعَزِيزِ ٱلْحَكِيمِ

    Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alhakeemi

    (De Koran) is de neerzonding van het Boek van Allah, de Almachtige, de Alwijze.

  331. 39:2

    إِنَّآ أَنزَلْنَآ إِلَيْكَ ٱلْكِتَٰبَ بِٱلْحَقِّ فَٱعْبُدِ ٱللَّهَ مُخْلِصًا لَّهُ ٱلدِّينَ

    Inna anzalna ilayka alkitaba bialhaqqi faoAAbudi Allaha mukhlisan lahu alddeena

    Voorwaar, Wij hebben het Boek met de Waarheid aan jou (O Moehammad) gezonden, aanbid daarom Allah, Hem zuiver aanbiddend.

  332. 39:3

    أَلَا لِلَّهِ ٱلدِّينُ ٱلْخَالِصُ ۚ وَٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ مِن دُونِهِۦٓ أَوْلِيَآءَ مَا نَعْبُدُهُمْ إِلَّا لِيُقَرِّبُونَآ إِلَى ٱللَّهِ زُلْفَىٰٓ إِنَّ ٱللَّهَ يَحْكُمُ بَيْنَهُمْ فِى مَا هُمْ فِيهِ يَخْتَلِفُونَ ۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى مَنْ هُوَ كَٰذِبٌ كَفَّارٌ

    Ala lillahi alddeenu alkhalisu waallatheena ittakhathoo min doonihi awliyaa ma naAAbuduhum illa liyuqarriboona ila Allahi zulfa inna Allaha yahkumu baynahum fee ma hum feehi yakhtalifoona inna Allaha la yahdee man huwa kathibun kaffarun

    Weet dat Allah de zuivere aanbidding toekomt. En degenen die naast Hem beschermers nemen (zeggen:) "Wij aanbidden ben slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen." Voorwaar, Allah zal tussen hen rechtspreken over dat waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allah leidt niet degene die een zeer ongelovige leugenaar is.

  333. 39:4

    لَّوْ أَرَادَ ٱللَّهُ أَن يَتَّخِذَ وَلَدًا لَّٱصْطَفَىٰ مِمَّا يَخْلُقُ مَا يَشَآءُ ۚ سُبْحَٰنَهُۥ ۖ هُوَ ٱللَّهُ ٱلْوَٰحِدُ ٱلْقَهَّارُ

    Law arada Allahu an yattakhitha waladan laistafa mimma yakhluqu ma yashao subhanahu huwa Allahu alwahidu alqahharu

    Als Allah een zoon zou wensen te nemen, dan zou Hij kiezen wat Hij wilde van wat Hij heeft geschapen. Heilig is Hij, Hij is Allah, de Ene, de Overweldiger.

  334. 39:5

    خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ بِٱلْحَقِّ ۖ يُكَوِّرُ ٱلَّيْلَ عَلَى ٱلنَّهَارِ وَيُكَوِّرُ ٱلنَّهَارَ عَلَى ٱلَّيْلِ ۖ وَسَخَّرَ ٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ ۖ كُلٌّ يَجْرِى لِأَجَلٍ مُّسَمًّى ۗ أَلَا هُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْغَفَّٰرُ

    Khalaqa alssamawati waalarda bialhaqqi yukawwiru allayla AAala alnnahari wayukawwiru alnnahara AAala allayli wasakhkhara alshshamsa waalqamara kullun yajree liajalin musamman ala huwa alAAazeezu alghaffaru

    Hij heeft de hemelen en de aarde in Waarheid geschapen. Hij doet de nacht de dag bedekken en Hij doet de dag de nacht bedekken. En Hij heeft de zou en de maan dienstbaar gemaakt. Allen bewegen tot een bepaalde tijd. Weet dat Hij de Almachtige, de Vergevensgezinde is.

  335. 39:6

    خَلَقَكُم مِّن نَّفْسٍ وَٰحِدَةٍ ثُمَّ جَعَلَ مِنْهَا زَوْجَهَا وَأَنزَلَ لَكُم مِّنَ ٱلْأَنْعَٰمِ ثَمَٰنِيَةَ أَزْوَٰجٍ ۚ يَخْلُقُكُمْ فِى بُطُونِ أُمَّهَٰتِكُمْ خَلْقًا مِّنۢ بَعْدِ خَلْقٍ فِى ظُلُمَٰتٍ ثَلَٰثٍ ۚ ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ لَهُ ٱلْمُلْكُ ۖ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ فَأَنَّىٰ تُصْرَفُونَ

    Khalaqakum min nafsin wahidatin thumma jaAAala minha zawjaha waanzala lakum mina alanAAami thamaniyata azwajin yakhluqukum fee butooni ommahatikum khalqan min baAAdi khalqin fee thulumatin thalathin thalikumu Allahu rabbukum lahu almulku la ilaha illa huwa faanna tusrafoona

    Hij heeft jullie uit één ziet geschapen, daarna maakte Hij ervan zijn vrouw, en Hij heeft voor jullie van het vee acht, in paren, neergezonden. Hij schept jullie in de schoten van jullie moeders, een schepping na een schepping, in drie duisternissen."' Dat is Allah, jullie ie Heer, aan Hem behoort de herschappij, geen god is er dan Hij. Waarom wenden jullie je af?

  336. 39:7

    إِن تَكْفُرُوا۟ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَنِىٌّ عَنكُمْ ۖ وَلَا يَرْضَىٰ لِعِبَادِهِ ٱلْكُفْرَ ۖ وَإِن تَشْكُرُوا۟ يَرْضَهُ لَكُمْ ۗ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَىٰ ۗ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُم مَّرْجِعُكُمْ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ ۚ إِنَّهُۥ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ

    In takfuroo fainna Allaha ghaniyyun AAankum wala yarda liAAibadihi alkufra wain tashkuroo yardahu lakum wala taziru waziratun wizra okhra thumma ila rabbikum marjiAAukum fayunabbiokum bima kuntum taAAmaloona innahu AAaleemun bithati alssudoori

    Als jullie niet geloven: voorwaar, Allah heeft jullie niet nodig. En de ondankbaarheid van Zijn dienaren behaagt Hem nieg maar wanneer jullie dankbaar zijn, dan heeft Hij behagen in jullie. En geen lastdrager zal de last (zonden) van een andere dragen. Daarna is tot jullie Heer jullie terugkeer. Hij brengt jullie op de hoogte van wat jullie plachten te doen. Voorwaar, Hij is Alwetend over wat zich in de harten bevindt.

  337. 39:8

    ۞ وَإِذَا مَسَّ ٱلْإِنسَٰنَ ضُرٌّ دَعَا رَبَّهُۥ مُنِيبًا إِلَيْهِ ثُمَّ إِذَا خَوَّلَهُۥ نِعْمَةً مِّنْهُ نَسِىَ مَا كَانَ يَدْعُوٓا۟ إِلَيْهِ مِن قَبْلُ وَجَعَلَ لِلَّهِ أَندَادًا لِّيُضِلَّ عَن سَبِيلِهِۦ ۚ قُلْ تَمَتَّعْ بِكُفْرِكَ قَلِيلًا ۖ إِنَّكَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلنَّارِ

    Waitha massa alinsana durrun daAAa rabbahu muneeban ilayhi thumma itha khawwalahu niAAmatan minhu nasiya ma kana yadAAoo ilayhi min qablu wajaAAala lillahi andadan liyudilla AAan sabeelihi qul tamattaAA bikufrika qaleelan innaka min ashabi alnnari

    En als tegenspoed de mens treft, dan roept Hij zijn Heer aan, tot Hem terrugkerend; maar wanneer hem daarna een genieting van Hem geschonken wordt, dan vergeet hij (de tegenspoed) waarvoor hij Hem voorheen aanriep, en kent hij deelgenoten naast Allah toe om van Zijn Weg te doen afdwalen. Zeg (O Moehammad): "Geniet maar even van je ongeloof: voorwaar, jij behoort tot de bewoners van de Hel."

  338. 39:9

    أَمَّنْ هُوَ قَٰنِتٌ ءَانَآءَ ٱلَّيْلِ سَاجِدًا وَقَآئِمًا يَحْذَرُ ٱلْـَٔاخِرَةَ وَيَرْجُوا۟ رَحْمَةَ رَبِّهِۦ ۗ قُلْ هَلْ يَسْتَوِى ٱلَّذِينَ يَعْلَمُونَ وَٱلَّذِينَ لَا يَعْلَمُونَ ۗ إِنَّمَا يَتَذَكَّرُ أُو۟لُوا۟ ٱلْأَلْبَٰبِ

    Amman huwa qanitun anaa allayli sajidan waqaiman yahtharu alakhirata wayarjoo rahmata rabbihi qul hal yastawee allatheena yaAAlamoona waallatheena la yaAAlamoona innama yatathakkaru oloo alalbabi

    Is de gehoorzame die een gedeelte van de nacht, zich neerknielend en staand (in de shalât doorbrengt), die het Hiernamaals vreest en hoopt op de Barmhartigheid van zijn Heer beter (... of de ongelovige?) Zeg: "Zijn degenen die kennis hebben gelijk aan degenen die geen kennis hebben?" Voorwaar, het zijn slechts de bezitters van gezond verstand die er lering uit trekken.

  339. 39:10

    قُلْ يَٰعِبَادِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱتَّقُوا۟ رَبَّكُمْ ۚ لِلَّذِينَ أَحْسَنُوا۟ فِى هَٰذِهِ ٱلدُّنْيَا حَسَنَةٌ ۗ وَأَرْضُ ٱللَّهِ وَٰسِعَةٌ ۗ إِنَّمَا يُوَفَّى ٱلصَّٰبِرُونَ أَجْرَهُم بِغَيْرِ حِسَابٍ

    Qul ya AAibadi allatheena amanoo ittaqoo rabbakum lillatheena ahsanoo fee hathihi alddunya hasanatun waardu Allahi wasiAAatun innama yuwaffa alssabiroona ajrahum bighayri hisabin

    Zeg: "O Mijn dienaren die geloven, vreest jullie Heer. Voor degenen die het goede doen in deze wereld is er goedheid, en de aarde van Allah is uitgegtrekt. Voorwaar, het zijn de geduldigen die hun beloning zonder berekening zal worden gegeven."

  340. 39:11

    قُلْ إِنِّىٓ أُمِرْتُ أَنْ أَعْبُدَ ٱللَّهَ مُخْلِصًا لَّهُ ٱلدِّينَ

    Qul innee omirtu an aAAbuda Allaha mukhlisan lahu alddeena

    Zeg: "Voorwaar, ik ben bevelen om Allah te aanbidden, Hem zuiver aanbiddend.

  341. 39:12

    وَأُمِرْتُ لِأَنْ أَكُونَ أَوَّلَ ٱلْمُسْلِمِينَ

    Waomirtu lian akoona awwala almuslimeena

    En ik ben bevolen om de eerste van de Moslims te zijn."

  342. 39:13

    قُلْ إِنِّىٓ أَخَافُ إِنْ عَصَيْتُ رَبِّى عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ

    Qul innee akhafu in AAasaytu rabbee AAathaba yawmin AAatheemin

    Zeg: "Voorwaar, ik vrees. als ik mijn Heer ongehoorzaam ben, een bestraffing op een geweldige Dag."

  343. 39:14

    قُلِ ٱللَّهَ أَعْبُدُ مُخْلِصًا لَّهُۥ دِينِى

    Quli Allaha aAAbudu mukhlisan lahu deenee

    Zeg: "Allah is het Die ik aanbid, Hem zuiver aanbiddend.

  344. 39:15

    فَٱعْبُدُوا۟ مَا شِئْتُم مِّن دُونِهِۦ ۗ قُلْ إِنَّ ٱلْخَٰسِرِينَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ وَأَهْلِيهِمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ ۗ أَلَا ذَٰلِكَ هُوَ ٱلْخُسْرَانُ ٱلْمُبِينُ

    FaoAAbudoo ma shitum min doonihi qul inna alkhasireena allatheena khasiroo anfusahum waahleehim yawma alqiyamati ala thalika huwa alkhusranu almubeenu

    Aanbidt den maar naast Hem wat jullie willen." Zeg: "Voorwaar, de verliezers zijn degenen die zichzelf en hun familie (door hun slechte bestemming) verlies toebrengen op de Dag der Opstanding. Weet dat dat het duidelijke verlies is."

  345. 39:16

    لَهُم مِّن فَوْقِهِمْ ظُلَلٌ مِّنَ ٱلنَّارِ وَمِن تَحْتِهِمْ ظُلَلٌ ۚ ذَٰلِكَ يُخَوِّفُ ٱللَّهُ بِهِۦ عِبَادَهُۥ ۚ يَٰعِبَادِ فَٱتَّقُونِ

    Lahum min fawqihim thulalun mina alnnari wamin tahtihim thulalun thalika yukhawwifu Allahu bihi AAibadahu ya AAibadi faittaqooni

    Er zullen boven hen lagen van vuur zijn en onder hen lagen. Zo maakt Allah Zijn dienaren daarmee bevreesd. O Mijn dienaren, vreest Mj daarom.

  346. 39:17

    وَٱلَّذِينَ ٱجْتَنَبُوا۟ ٱلطَّٰغُوتَ أَن يَعْبُدُوهَا وَأَنَابُوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ لَهُمُ ٱلْبُشْرَىٰ ۚ فَبَشِّرْ عِبَادِ

    Waallatheena ijtanaboo alttaghoota an yaAAbudooha waanaboo ila Allahi lahumu albushra fabashshir AAibadi

    En degenen die het aanbidden van de Thagôet vemijden en die terugkeren tot Allah; voor Hen is er een verheugende tijding. Verheug daarom Mijn dienaren.

  347. 39:18

    ٱلَّذِينَ يَسْتَمِعُونَ ٱلْقَوْلَ فَيَتَّبِعُونَ أَحْسَنَهُۥٓ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ هَدَىٰهُمُ ٱللَّهُ ۖ وَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمْ أُو۟لُوا۟ ٱلْأَلْبَٰبِ

    Allatheena yastamiAAoona alqawla fayattabiAAoona ahsanahu olaika allatheena hadahumu Allahu waolaika hum oloo alalbabi

    Degenen die naar het woord luisteren en daarna het beste ervan volgen, zij zijn degenen die Allah heeft geleid en zij zijn de bezitters van verstand.

  348. 39:19

    أَفَمَنْ حَقَّ عَلَيْهِ كَلِمَةُ ٱلْعَذَابِ أَفَأَنتَ تُنقِذُ مَن فِى ٱلنَّارِ

    Afaman haqqa AAalayhi kalimatu alAAathabi afaanta tunqithu man fee alnnari

    Voor wie het woord van bestraffing bewaarheid is, zou jij (O Moehammad) hem kunnen redden die in de Hel is?

  349. 39:20

    لَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوْا۟ رَبَّهُمْ لَهُمْ غُرَفٌ مِّن فَوْقِهَا غُرَفٌ مَّبْنِيَّةٌ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ ۖ وَعْدَ ٱللَّهِ ۖ لَا يُخْلِفُ ٱللَّهُ ٱلْمِيعَادَ

    Lakini allatheena ittaqaw rabbahum lahum ghurafun min fawqiha ghurafun mabniyyatun tajree min tahtiha alanharu waAAda Allahi la yukhlifu Allahu almeeAAada

    Maar degenen die hun Heer vreesden; voor hen zijn er woningen waarboven (nog andere) woningen zijn gebouwd waar onder door de rivieren stromen. Als een belofte van Allah, Allah breekt de belofte niet.

  350. 39:21

    أَلَمْ تَرَ أَنَّ ٱللَّهَ أَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءً فَسَلَكَهُۥ يَنَٰبِيعَ فِى ٱلْأَرْضِ ثُمَّ يُخْرِجُ بِهِۦ زَرْعًا مُّخْتَلِفًا أَلْوَٰنُهُۥ ثُمَّ يَهِيجُ فَتَرَىٰهُ مُصْفَرًّا ثُمَّ يَجْعَلُهُۥ حُطَٰمًا ۚ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَذِكْرَىٰ لِأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ

    Alam tara anna Allaha anzala mina alssamai maan fasalakahu yanabeeAAa fee alardi thumma yukhriju bihi zarAAan mukhtalifan alwanuhu thumma yaheeju fatarahu musfarran thumma yajAAaluhu hutaman inna fee thalika lathikra liolee alalbabi

    Zie jij niet dat Allah water uit de hemel doet neerdalen en het daarna doet samenstromen in bronnen die zich in de aarde bevinden? Vervolgens brengt Hij daar planten met verschillende kleuren me voort, en daarna worden ze droog en zie jij dat ze geel worden, den laat Hij ze tot stof worden. Voorwaar, daarin is zeker een lering voor de bezitters van verstand.

  351. 39:22

    أَفَمَن شَرَحَ ٱللَّهُ صَدْرَهُۥ لِلْإِسْلَٰمِ فَهُوَ عَلَىٰ نُورٍ مِّن رَّبِّهِۦ ۚ فَوَيْلٌ لِّلْقَٰسِيَةِ قُلُوبُهُم مِّن ذِكْرِ ٱللَّهِ ۚ أُو۟لَٰٓئِكَ فِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ

    Afaman sharaha Allahu sadrahu lilislami fahuwa AAala noorin min rabbihi fawaylun lilqasiyati quloobuhum min thikri Allahi olaika fee dalalin mubeenin

    Is dan hij, wiens bart Allah heeft verruimd voor de Islam, zodat hij door een licht van zijn Heer wordt geleid... (gelijk aan degene wiens had verzegeld is?) Wee daarom hen, wiens harten zich hebben verbard tegen het gedenken van Allah. Zij zijn het die in duidelijke dwaling verkeren.

  352. 39:23

    ٱللَّهُ نَزَّلَ أَحْسَنَ ٱلْحَدِيثِ كِتَٰبًا مُّتَشَٰبِهًا مَّثَانِىَ تَقْشَعِرُّ مِنْهُ جُلُودُ ٱلَّذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُمْ ثُمَّ تَلِينُ جُلُودُهُمْ وَقُلُوبُهُمْ إِلَىٰ ذِكْرِ ٱللَّهِ ۚ ذَٰلِكَ هُدَى ٱللَّهِ يَهْدِى بِهِۦ مَن يَشَآءُ ۚ وَمَن يُضْلِلِ ٱللَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنْ هَادٍ

    Allahu nazzala ahsana alhadeethi kitaban mutashabihan mathaniya taqshaAAirru minhu juloodu allatheena yakhshawna rabbahum thumma taleenu julooduhum waquloobuhum ila thikri Allahi thalika huda Allahi yahdee bihi man yashao waman yudlili Allahu fama lahu min hadin

    Allah heeft het beste Woord nemgezonden in een Doek, op elkaar lijkende, herhalende (gedeelten). De huid van degenen die hun Heer vrezen, huivert erdoor, daarna hun huid en hun harten zacht door het gedenken van Allah. Dat is de Leiding van Allah, Hij leidt daarmee wie Hij wil. En wie door Allah tot dwaling gebracht wordt, voor hem is er geen leider.

  353. 39:24

    أَفَمَن يَتَّقِى بِوَجْهِهِۦ سُوٓءَ ٱلْعَذَابِ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ ۚ وَقِيلَ لِلظَّٰلِمِينَ ذُوقُوا۟ مَا كُنتُمْ تَكْسِبُونَ

    Afaman yattaqee biwajhihi sooa alAAathabi yawma alqiyamati waqeela lilththalimeena thooqoo ma kuntum taksiboona

    Is dan hij, die zijn gezicht beschermt voor de slechte bestraffing op de Dag der Opstanding... (gelijk aan hem wiens gezicht beschermd wordt?) En tot de onrehtvaardigen wordt gezegd: "Proeft wat jullie plachten te verrichten."

  354. 39:25

    كَذَّبَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ فَأَتَىٰهُمُ ٱلْعَذَابُ مِنْ حَيْثُ لَا يَشْعُرُونَ

    Kaththaba allatheena min qablihim faatahumu alAAathabu min haythu la yashAAuroona

    Degenen vóór hen loochenden, zodat de bestraffing tot hen kwam uit richtingen die zij niet vermoedden.

  355. 39:26

    فَأَذَاقَهُمُ ٱللَّهُ ٱلْخِزْىَ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا ۖ وَلَعَذَابُ ٱلْـَٔاخِرَةِ أَكْبَرُ ۚ لَوْ كَانُوا۟ يَعْلَمُونَ

    Faathaqahumu Allahu alkhizya fee alhayati alddunya walaAAathabu alakhirati akbaru law kanoo yaAAlamoona

    Zo doet Allah hen de vernedering tijdens het wereldse leven proeven, terwijl de bestraffing van het Hiernamaals groter is. Als zij het maar wisten!

  356. 39:27

    وَلَقَدْ ضَرَبْنَا لِلنَّاسِ فِى هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ مِن كُلِّ مَثَلٍ لَّعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ

    Walaqad darabna lilnnasi fee hatha alqurani min kulli mathalin laAAallahum yatathakkaroona

    En voorzeker, Wij hebben voor de mensen in deze Koran allerlei vergelijkingen gemaakt. Hopelijk zullen zij zich laten vermanen.

  357. 39:28

    قُرْءَانًا عَرَبِيًّا غَيْرَ ذِى عِوَجٍ لَّعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ

    Quranan AAarabiyyan ghayra thee AAiwajin laAAallahum yattaqoona

    Door een Arabische Koran, waarin geen afwijkingen voorkomen. Hopelijk zullen zij (Allah) vrezen.

  358. 39:29

    ضَرَبَ ٱللَّهُ مَثَلًا رَّجُلًا فِيهِ شُرَكَآءُ مُتَشَٰكِسُونَ وَرَجُلًا سَلَمًا لِّرَجُلٍ هَلْ يَسْتَوِيَانِ مَثَلًا ۚ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ۚ بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ

    Daraba Allahu mathalan rajulan feehi shurakao mutashakisoona warajulan salaman lirajulin hal yastawiyani mathalan alhamdu lillahi bal aktharuhum la yaAAlamoona

    Allah heeft een vergelijking gemaakt van een slaaf die aan meerdere meesters behoort die onderling ruziën, met een slaaf die aan slechts één meester behoort. Zijn zij aan elkaar gelijk? Alle lof zij Allah, maar de meesten van hen weten het niet.

  359. 39:30

    إِنَّكَ مَيِّتٌ وَإِنَّهُم مَّيِّتُونَ

    Innaka mayyitun wainnahum mayyitoona

    Voorwaar, jij zuk sterven en voorwaar, zij zullen sterven.

  360. 39:31

    ثُمَّ إِنَّكُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ عِندَ رَبِّكُمْ تَخْتَصِمُونَ

    Thumma innakum yawma alqiyamati AAinda rabbikum takhtasimoona

    Daarna zullen jullie op de Dag der Opstanding bij jullie Heer met elkaar redetwisten.